Green Island Blog

Posts tonen met het label restaurant. Alle posts tonen
Posts tonen met het label restaurant. Alle posts tonen

zaterdag 5 mei 2012

Lente!


Het is weer mei op Corfu en dus? Vlindertijd! Wat een genot is het toch om die vrolijke, maar tegelijkertijd nijvere beestjes rond te zien fladderen. In hoog tempo worden alle bloemetjes dartelend aangedaan. Vertoont zich een soortgenoot in hetzelfde stukje luchtruim dan is het helemaal feest. Soms zie je dan dat ze even om elkaar heen cirkelen en dan hoor je ze gewoon zeggen: your place or mine? Vlinderen noem ik dat.
Nu hebben wij hier op Corfu in het binnenland een zogenaamd verlaten dorp, dat in een prachtig rustig landschap ligt. Schitterend hoor, maar laten die vlinders zich daar nou vreselijk in hun element voelen! De mooiste soorten kom je daar tegen terwijl ze zich tegoed doen aan de miljoenen bloemen en elkaar.
Wij daar dus heen op een mooie zaterdag in mei. Na een mooie rit over de Troumbeta (een pas midden op Corfu) storten wij ons in de binnenlanden van Corfu, langs plaatsjes als Skripero, Chorepiskopei, Stakera en andere schilderachtige namen. Dan komen we bij de noordkust van Corfu uit, Roda en daarna Acharavi, waar wij verliefd werden op het eiland. Prachtige rit op een zonovergoten dag.
We ronden de Noord en vervolgen onze route even later langs de oostelijke kustweg tot we bij de afslag Perithia komen. Eerst door Kato (laag) Perithia, dan door Loutses, met zijn prachtige grotten. Even later stuiteren we over een vreselijk slecht stukje weg, dat na twee kilometer gelukkig overgaat in asfalt. En we stijgen en we stijgen en genieten weer van de schitterend beklede berghellingen en al het overige moois dat Corfu te bieden heeft. Hoe vaak zijn we al niet in Perithia geweest? En toch gaan we elke keer weer met plezier naar dit bijzondere stukje Historisch Corfu.
Dan is daar eindelijk de blikvanger van de omgeving, de roze klokketoren van de kerk van Perithia. Daar schiet ik mijn eerste foto, niet van een gevleugelde vlinder, maar van mijn eigen vlindertje Mirjam.
Even later ziet zij de eerste vlinder, een pracht zwartwit exemplaar met sierlijke tekening, vrolijk door het zwerk fladderen. Dat belooft veel goeds en zo blij als een hond met zeven staarten storten wij ons op het pad.

Maar we komen bedrogen uit. Er zijn veel vlinders, maar bijna allemaal van een en dezelfde soort. Mooi hoor en ik klik er lustig op los, maar de variatie is niet om over naar huis te schrijven. Blijkbaar is het nog te vroeg in het jaar, de rest van de vlinders moet nog wakker worden.
Toch hebben we een schitterende wandeling door het woeste natuurgebied van Perithia en omgeving. Prachtige vergezichten, berghellingen onder tapijten van duizend tinten groen, geel en paars, zeeën van bloemen en glooiende groene weiden afgewisseld met woeste rotsformaties. En overal dat betoverende azuren dak erboven. 
Heerlijke tijdsbesteding om daar rond te dwalen. Maar dan!

We hebben onszelf een lekkere lunch beloofd bij Foros, een van de zes (6!) restaurants in het verlaten dorp. Foros is al sinds de jaren negentig gevestigd in Perithia en heeft een uitstekende naam. De volgers (lees: imitators) proberen allemaal een graantje mee te pikken, maar dat wekt toch wat wrevel bij mensen. De eerste drie restaurants lopen we dus, terwijl we vriendelijk begroet worden, straal voorbij en komen door een nauw straatje met verlaten huizen op een pleintje uit waar de andere drie restaurants hun klanten proberen te veroveren.
Wij hebben onze keuze al gemaakt en ploffen dus neer onder de druivenranken van Foros. Het is goed rusten na gedane zaken en we laten ons het koele water lekker smaken. Ook Plati slobbert gulzig uit een plastic bak en speelt wat met de plaatselijke honden.
De maaltijd van tonijnsalade, saganaki, uientaart en kolikythia gaat er in als koek en wordt weggespoeld met een biertje en rode wijn.
Na de maaltijd maken we een praatje met de eigenaar, die luistert naar de naam Thomas Siriotis. Op onze vragen vertelt hij honderduit over het verleden van Perithia en weet van veel huizen de achtergrond te verhalen. Terwijl hij vertelt, zit hij voortdurend op een wit kaartje te krabbelen, maar dit weerhoudt hem er niet van de geschiedenis van Perithia vanaf de veertiende tot de twintigste eeuw in een notendop te stoppen.
Dan ineens heft hij het hoofd en overhandigt ons het witte kaartje waarop hij zo nijver zat te krabbelen. Het is zijn visitekaartje, dat hij tijdens onze geschiedenisles even getekend heeft.

Het meest luxe visitekaartje, gedrukt op het duurste papier, door een topdesigner ontworpen volgens de richtlijnen van de moderne presentatie, kan geen betere indruk achterlaten dan dit exemplaar.
Business Card Foros Restaurant Perithia Corfu

zondag 11 december 2011

Kadootje


Omdat het zaterdagavond hoosde, hebben we besloten dan maar op zondagavond te gaan eten bij Campiëllo, ons favorestaurantje in Corfu Stad. Ook zondagavond kwam het water met bakken uit de lucht, maar nu laten wij ons dit feestmaal niet meer afpakken en stappen in de auto. Als beloning voor ons doorzettingsvermogen besluiten de weergoden de kraan dicht te draaien.
Naarmate we de stad naderen, is het een drukte van belang op de weg. Als vliegen op een hoop verse stront worden duizenden Grieken naar Kerkyra, zoals de hoofdstad van Corfu eigenlijk heet, getrokken. De restaurants, taverna’s en andere horecagelegenheden die we onderweg passeren, hebben allemaal geen klagen. Huh, wat is er aan de hand? Oh, wacht even, het is morgen Sint Spyridon! Dat verklaart de drang van de Grieken om massaal naar de stad te trekken. Morgen is het naamdag van alle mannen die Spiros heten. Alleen het vooruitzicht van het feest is al genoeg om de Grieken massaal in beweging te krijgen.
Inderdaad puilt de stad uit. Pas ergens aan de haven kunnen we de auto parkeren. Maakt niet uit, de temperatuur is erg aangenaam en zolang het droog is, is het een genot om buiten te zijn.
We wandelen door de nauwe straatjes van de steenoude wijk Campiëllo en merken dat het ook hier gezellig druk is. Hm, als we nog maar een tafeltje kunnen bemachtigen, we hebben niet besproken.
Dat hadden we moeten doen, dat had ons een ritje naar de stad bespaard. Het restaurant is namelijk gesloten. De eigenaar heet misschien ook Spiros en is waarschijnlijk op dit moment zelf bezig de bloemetjes buiten te zetten.
Maar never a dull moment on Corfu, dus besluiten we naar een eenvoudig maar zeer gezellig restaurantje in Temploni, ons buurdorp, te gaan. Even maken we ons zorgen of ook die wel open zal zijn, want de eigenaar van het restaurant heet .... Spiros. Maar al van verre komen ons heerlijke geuren tegemoet, vermengd met flarden muziek. Een overvolle parkeerplaats bevestigt ons vermoeden dat Spiros gewoon open is en even later zetten wij ons neder aan het voorlaatste tafeltje dat nog vrij is. Het restaurantje barst uit zijn voegen. Crisis? What crisis?
Spiros’ restaurant heet Ladókola, wat de benaming is van de vellen bruin papier waarmee niet alleen de tafel bedekt wordt, maar waarop ook de gerechten geserveerd worden. Hoezo sfeervol en authentiek? En het eten is er heerlijk, overvloedig en goedkoop.
Eenmaal aan ons hoofdgerecht begonnen, nemen twee jonge kerels plaats op het piepkleine podium en installeren zich met enige moeite achter hun instrumenten; gitaar en syntisizer. En laten die gasten nou een heel mooi moppie muziek maken! Wij zijn beiden niet zo into Griekse muziek, maar dit klinkt hartstikke mooi. Een soort van ballades, uitgevoerd door een zeer bedreven pianospeler en de gevoelige zanger-gitarist. De laatste moet nog even door de zenuwen heen, want klinkt in het begin nog enigszins onvast en onzeker. Maar als er na het eerste liedje een klaterend applaus klinkt, en daarna bijna elk liedje meegezongen wordt door het hele restaurant (behalve door ons), valt de schroom van hem af en geeft ook hij zich helemaal.
Wat een sfeer, wat een vriendschap, wat een feest! Mirjam meent op den duur te horen dat een van de liederen over de crisis gaat. Het zou best kunnen want iedereen, van gast tot bordenwasser, zingt uit volle borst mee. Zelfs de honden buiten laten zich niet onbetuigd en ook enkele straatkatten mengen zich in het spektakel.
Hoogtepunt van de party komt als het gastheer Spiros te machtig wordt en hij zich met een bevallige zwart geklede brunette in een woeste syrtaki stort. Om vervolgens vlakbij ons tafeltje met mooie dame en al in volle vaart tegen de vlakte te slaan. Oorzaak drank? Mogelijk, al komt hij zeker niet dronken over. Wellicht is wat verspilde drank op de grond de oorzaak van de valpartij. Feit is dat beiden lachend overeind strompelen en hun dans voortzetten of er niets gebeurd is, of hun ondergang deel van de dans was. Al snel haken verschillende gasten aan en wordt deze typisch Griekse dans schouder aan schouder door een groot aantal gasten al hopsend en springend uitgevoerd. Ik vind alleen het kijken ernaar al vermoeiend.
Wat ik nu zo grappig vind, is dat de Grieken vol overgave van zulke gelegenheden kunnen genieten en er ook in meegaan. Zoals al eerder vastgesteld zingt iedereen de tientallen liedjes mee, woord voor woord.
Ook de jongedames tonen geen enkele beschroomdheid in het uiten van hun blijdschap en gaan voorop met zingen. En het zijn niet bepaald van die boerentrienentypes (mooi Scrabblewoord) hoor. De dames mogen er zijn met hun huidnauwe broekjes, modieuze topjes die aan de verbeelding niet veel overlaten en daar bovenop een prachtkop. Nee, als het om feesten gaat is er geen generatiekloof hier op Corfu en dat vind ik fantastisch om te zien.
Na het middernachtelijk uur komt Spiros enigzins hinkend, hij is niet helemaal ongeschonden uit de strijd gekomen, alle tafeltjes langs om de glazen op zijn kosten opnieuw te vullen. Al scheelde het niet veel of hij was aan de arm van een zwartgeklede schone uit het leven gestapt, hij heeft toch maar weer mooi zijn naamdag gehaald en dat is reden voor een feestje.
Spyridondag is al een flink eind gevorderd als wij doodmoe maar gelukkig in bed storten.

zondag 17 april 2011

Daar komt de bruid!

Onlangs smaakte ik het genoegen om met een goede vriend op een terrasje aan de Espianade te zitten. We hadden een werkbespreking die we net zo goed over de telefoon hadden kunnen doen, maar dat is minder leuk. Dus spraken we af bij Olympia, gelegen aan een van de drukste plekken in Corfu stad. Het weer was heerlijk en we deden onze ogen tegoed aan in zomergoed gehulde Griekse schonen die het flaneren tot kunst hebben verheven. Voor ons op tafel stond voor elk een ouzo speciaal, zoals ik het gedoopt heb: een glas ouzo, een schaal ijsklonten, water en een bordje mezès, kleine Griekse hapjes met heerlijke patatten.
Ik heb altijd een hekel aan werkoverleg gehad, maar dergelijke omstandigheden maken het draaglijk. Om niet te zeggen dat ik er naar uit begin te zien.
Na wat zaken te hebben besproken, vertelde hij tussen een slok ouzo en een olijf door dat er een datum voor de bruiloft was geprikt. De bruiloft! Al maanden had ik hem hoofdschuddend aangehoord over de problemen die het met zich meeneemt als een Nederlander met een Griekse wil trouwen. De ambtenaar die met die portefeuille belast is, wiens voornaamste zorg het normaliter is of hij thee of koffie zal drinken, wordt ineens net zo vasthoudend als een zeepok en wil tot op de komma precies weten hoe de vork in de steel zit. Hoogtepunt van de pesterij was wel dat een bepaald document afgekeurd werd omdat een woordje niet in het Grieks vertaald was, namelijk zijn achternaam. Hoe bedoel je, spijkers op laag water zoeken?
Maar na een lange periode van smeken en soebatten konden de Griekse autoriteiten het dan toch echt niet langer meer traineren. Alle, maar dan ook echt alle papieren, documenten en vergunningen waren in 28 talen – van Sanskriet tot Taki Taki en alle moderne wereldtalen daartussen - beschikbaar gesteld door Stefan en zijn aanstaande. Niets stond een trouwdatum meer in de weg.
Dan is het een kwestie van het ijzer smeden als het heet is, want voor je het weet is er een wet bij gekomen of veranderd en moet de aanvraag weer opnieuw. Dat overleeft een voorgenomen huwelijk niet, dus of wij 13 april 2011 vrij wilden houden teneinde mee te delen in de feestvreugde. Nou, dat wilden wij wel.
Of ik dan ook zijn best man, oftewel getuige, wilde zijn. Tjonge, dat vond ik een hele eer. Wel heb ik hem moeten waarschuwen dat twee eerdere huwelijken waarbij ik ook getuige was, in een echtscheiding geëindigd waren. Nochtans was dat voor Stefan geen beletsel gebruik te maken van mijn diensten.

De avond voor de plechtigheid werd ik gebeld en zag ik de naam van Stefan in het schermpje staan. ‘Nee, ik ben het niet vergeten,’ riep ik terwijl ik opnam. ‘Jij misschien niet,’ antwoordde hij, ‘maar iemand anders wel.’ Zou de Griekse ambtenarenmaffia het dan toch weer voor elkaar gekregen hebben?, flitste het door mij heen.
Wat bleek? De nijvere ambtenaar belast met gemeentelijke zaken had zich wat verrekend of vergist en dus kon er geen sprake zijn van een trouwceremonie in het mooie raadhuis van Corfu. We moesten uitwijken naar een dependance. Tevens werd de plechtigheid een half uurtje opgeschoven. Toch wel attent dat je daar de avond van tevoren over ingelicht wordt. Voor hetzelfde geld kom je er op de trappen van het raadhuis achter dat je daar niet welkom bent en mag je de 600 wachtende gasten uitleggen dat je aan de andere kant van de stad moet zijn.
Het mocht de pret niet drukken. Alle genodigden waren ruimschoots op tijd op de plaats van handeling, zelfs de ambtenaar van de burgerlijke stand. Enige dissonant was een brutale Griek die zijn auto op de speciaal voor het bruidspaar gereserveerde plaats had geparkeerd. De slimme medewerker van de raadszaal had hier echter, door ervaring wijzer geworden, op gerekend en had een extra plaats beschikbaar.
Na inlevering van de paspoorten van beide getuigen werd een cassetterecordertje uit het jaar 1870 aangeslingerd en werd een krakende versie van ‘De Bruiloftsmars’ op volume burenoverlast ten gehore gebracht. Ondanks dit storende element werd de voltrekking van het huwelijk niet meer in gevaar gebracht. Al was het nog even spannend of Stefan wel het juiste antwoord zou geven op de vraag of hij bereid was Lydia tot zijn echtgenote te nemen. Ja is in het Grieks namelijk Nai, wat qua uitspraak zorgelijk veel lijkt op ons Nederlandse woordje Nee. Waarschijnlijk had hij geoefend, want voor de ambtenaar de vraag in zijn geheel gesteld had, beantwoordde hij de vraag in vloeiend Grieks met: Nai!

woensdag 23 maart 2011

Grieken



Vrijdagavond ben ik met goede vriend Erris naar het Kaffeneio van Nissaki geweest. Kaffe-wat? Een kaffeneio is een uiterst sober ingericht (sommigen zeggen obscuur) lokaaltje waar Griekse mannen, het liefst de hele dag, met elkaar de wereldproblemen in het algemeen en die van Corfu in het bijzonder bespreken. Zoals de naam doet vermoeden, kan je er een bak koffie kopen. Maar ook spraakwater als ouzo, tsipouro, whisky en wijn zijn er ongelimiteerd en op elk moment van de dag verkrijgbaar.
We hebben daar een ontmoeting met Alekos Damaskinos, een gezamenlijke Griekse vriend. Ik ben momenteel bezig voor mijn website www.green-island.nl een verhaal over Grieken te schrijven en Alekos is een markante verschijning die mooi als kapstok kan dienen om het verhaal aan op te hangen.
Ik heb hem verteld dat als hij toestemt in een gesprek, hij het onderwerp – of moet ik zeggen: lijdend voorwerp – van een verhaal voor de website wordt. Dat deert hem niet in het minst. Gekker nog, hij is zeer vereerd.
We nemen plaats op de plastic kuipstoeltjes in het Kaffeneio en laten ons door Mitsos, de eigenaar, inschenken: Erris een kleine Amstel, Alekos een grote en ik een ouzo. De oorzaak van mijn bezoek begint te vertellen.

Alekos is een bijzondere inwoner van Corfu. Het gros van de Corfioten is nooit van het eiland af geweest. ik jok niet als ik zeg dat heel veel oudere Grieken hun dorp slechts zelden verlaten. Alekos is daar een uitzondering op. Hij heeft over de hele wereld gezworven en heeft zich altijd moeiteloos aan de plaatselijke omstandigheden weten aan te passen.
In 1966, op de jonge leeftijd van achttien jaar, kiest hij het ruime sop en laat zijn geboortegrond op Corfu achter. Na wat omzwervingen spoelt hij aan wal in Zuid Afrika en gaat naar de universiteit van Kaapstad. Tijdens zijn studie mathematica – Alekos is officieel professor in de wiskunde – heeft hij allerlei baantjes om de kost te verdienen en zijn studie te betalen. Zo was hij medewerker op een sinaasappelfarm, die in Zuid-Afrika merkwaardig genoeg lemon genoemd worden. Een citroen daarentegen luistert naar de naam zuurlemon, wat te billijken is.
Zijn salaris bestond uit wijn. Wellicht gold toen in Zuid-Afrika het antieke principe van ruilhandel, wat het mogelijk maakte dat hij met wijn de huur en andere rekeningen kon betalen. Geld is tenslotte ook niets anders dan een ruilmiddel. Net zoals zout dat ooit was. Nog steeds gebruiken wij daar een afgeleide van, namelijk salaris (Sal = zout).
In 1975 heeft de overheid hem in donker Afrika weten op te sporen en hij moet in dienst. Hij keert terug naar Corfu, kust zijn familie gedag en dient een aantal jaren in het Griekse leger. Als hij ruim twee jaar later zijn dienstplicht heeft voldaan, vertrekt hij spoorslags naar Schotland. Hij schrijft zich in voor de universiteit van Edinghburg, een van de meest prestigieuze universiteiten van het Verenigd Koninkrijk. Hij wordt aangenomen en stort zich met hernieuwde energie op zijn studie. Om in zijn onderhoud te voorzien ontpopt hij zich als een uitstekend grafdelver en drager tijdens begrafenissen. Toch blijkt het niet zijn ambitie om tot zijn pensioen gaten te graven en die kort daarna weer dicht te storten en hij behaalt zijn professoraat mathematica.
Wat doe je dan? Juist, je scheert je en dan trouw je en zo ook dus Alekos. Hij trouwt met Anna, een resolute Ierse tante. Een grote fout, maakt hij omslachtig duidelijk met weidse gebaren. Om de onrust bij hem te verdrijven, bestellen we nog een rondje van hetzelfde.
Na een paar flinke slokken is hij weer in staat zijn levensverhaal te vervolgen.


Er rust geen zegen op het huwelijk. Vooral op religieus gebied wringt de schoen. Hij is Grieks orthodox, zij is een ras katholiek en dat zorgt voor veel wrijving. De toenmalige paus moest er aan te pas komen om uit te maken dat Alekos zich maar moest bekeren tot het katholieke geloof. Ondanks zijn bereidheid hiertoe gingen de echtelieden na zeven ongelukkige jaren uiteen.
Hij vestigt zich in een gehucht even buiten Londen en geeft daar les. Maar omdat een man met verantwoordelijkheden toch ook recht op ontspanning heeft begeeft hij zich op gezette tijden naar een tapperij in de omgeving van Londen. Hij vertelt een mooi avontuur dat hij in die jaren meemaakte.
Eens was hij, gezeten op een barkruk, in gesprek geraakt met een Engelsman die zich ook in die drankgelegenheid bevond. Omdat ze beiden gevaren hadden, waren er veel gemeenschappelijke interesses en al spoedig ontstond er een vriendschappelijk band onder de beide drinkers. Naarmate de avond vergleed in de nacht en de drank rijkelijk vloeide, voelde Alekos op een gegeven moment de behoefte om naar huis te gaan en gaf uiting aan dit verlangen. Zijn nieuwe vriend vroeg waar hij woonde en Alekos legde uit waar hij naar toe moest. Kwam dat even goed uit, zijn maat moest diezelfde kant op en kon hem wel even langs brengen. En dus wankelden beiden in de opperste staat van geluk en vriendschap naar buiten, de frisse nachtlucht in.
De nieuw opgedane drankmaat van Alekos wist tot zijn niet geringe verbazing blijkbaar niet meer wat zijn auto was, want hij onderzocht alle geparkeerd staande auto’s op toegankelijkheid door aan de deurgreep te voelen. Bij een Range Rover ging het portier open en hij nam plaats achter het stuur. Vervelend genoeg was hij echter ook zijn sleutels vergeten en hij vroeg Alekos of die wist hoe een motor te starten zonder contactsleutel. Dat wist Alekos wel en na onder de motorkap de juiste draden geconnecteerd te hebben, liep de motor als een zonnetje.
Gelijk op dat moment werd het tweetal door een aantal schijnwerpers in het zonnetje gezet en verschenen uit allerlei hoeken en andere onvermoede schuilplaatsen politieagenten, die het duo oppakte en in de gevangenis stopte op beschuldiging van autodiefstal.
Pas toen bleek dat de nieuw verworven vriend van Alekos een notoire autodief was, die op deze manier een indrukwekkend politie dossier opgebouwd had. Alekos, die naar eer en geweten kon vertellen dat hij er niets mee te maken had, werd in eerste instantie niet geloofd en bracht de nacht in de cel door. De volgende ochtend werd hij na verhoor vrijgelaten, na betaling van een boete van tachtig pond, wat in die dagen een flink bedrag was.

Tegenwoordig woont Alekos weer op Corfu en geeft Griekse les aan buitenlanders. Vanwege zijn mondiale avonturen spreekt hij vloeiend Engels en is dus uitstekend in staat de finesses en valkuilen van de Griekse taal uit te leggen aan zijn cursisten. Als zijn drukke bezigheden het toestaan begeeft hij zich regelmatig naar de lokale tapperij, waar hij vrienden en passanten boeit met zijn verhalen en wijsheden over vrouwen, carrière, successen en mislukkingen.
Ik vraag hem een aantal typisch Corfiotische gebaren te demonstreren en welwillend toont hij de verschillende expressies die we zo vaak onder de eilanders tegenkomen. Ondanks zijn geleerdheid is hij een eenvoudig mens gebleven.
Na een laatste toast, de bodem van het ene glas raakt het andere glas in het midden waarna deze procedure door de ander herhaald wordt, legen we onze glazen en verlaten Erris en ik de sobere ruimte. Alekos blijft zitten. Zijn aanwezigheid is daar dringend vereist.

zaterdag 8 januari 2011

De strijd om het bestaan

Gek is dat: je gaat iets doen waar je enorm zin in hebt en toch denk je ’s ochtends, als de wekker gaat, ik kom mijn nest niet uit. Bekijk het maar!
Ik heb er spijt van dat ik vrijdagavond met Antonios heb afgesproken om hem de volgende dag te vergezellen bij het legen van zijn netten. Tijdens de zomer heeft hij het voor dergelijke bezigheden veel te druk met rondvaarten langs de oostkust van Corfu. Tijdens de winter heeft hij er, wegens een chronisch gebrek aan toeristen, echter alle tijd van de wereld voor. En dus kwam hij afgelopen week even een praatje maken en vroeg of ik weer eens zin had om mee te gaan. Op zo’n moment zie ik alleen de enorme vissen die zich verdringen in de netten en denk ik helemaal niet aan het vroege tijdstip om op te staan.

Ik steek mijn neus boven de deken en draai me direct nog een keer om. Koud! Of is het onder die deken zo warm? Feit is dat in de winter de nachten op Corfu best fris zijn. Niet heel veel onder nul of zo, maar gewoon waterig koud. Zo ook nu. Ik ga in de foetushouding liggen, kop onder de deken. Veilig en geborgen als in de baarmoeder, voel ik me in de warmte en de duisternis.
Maar, afspraak is afspraak, dus gooi ik ineens de dekens van me af en zwaai het eerste been uit bed. Brrr. Ik bibber vanuit de baarmoeder rechtstreeks naar de badkamer.

Als eerste arriveer ik in de haven van Pirgi. Die Antonios, meestal ben ik de laatste. Het geeft mij de gelegenheid even het haventje te ronden. Het mag de naam ‘haven’ eigenlijk niet dragen. Een puist beton in een vierkant gestort, met in het midden ruimte voor een dertigtal bootjes. Op zijn Grieks natuurlijk, dus overal steekt het betonijzer nog naar buiten. Ik kan me zo voorstellen dat menig visser, door armen vol netten en andere visattributen het zicht op zijn onderdanen ontnomen, met de volle porrie op zijn smoel gaat omdat hij blijft haken achter een uitstekend (niet in de zin van goed, eminent) stuk staal. Dat zou ik eigenlijk wel eens mee willen maken, terwijl ik net sta te filmen of zo. YouTube, here I come!
Ik vind een prachtig hoorntje, zoals mijn moeder dat vroeger placht te noemen, en besluit het mee te nemen voor Mirjam. De dag kan al niet meer stuk, de eerste schat is al binnen.
Ah, daar komt Antonios al aan in zijn vooroorlogse Daihatsu Zebra. Rammelend in alle hoeken en gaten die het foeilelijke wagentje rijk is, geen druppel lak meer, verwoest aan binnen- en buitenkant. Ik verdenk het ding ervan dat het ooit nog eens bestuurd is door Hirohito, de Japanse keizer ten tijde van de tweede wereldoorlog. Maar het monster rijdt nog steeds. Ongelofelijk. Je reinste reclame voor Daihatsu.

Als we even later op zee zijn aan de schitterende oostkant van Corfu, op weg naar het eerste net, zien we al dat het een schitterende dag gaat worden. De temperatuur wordt heel aangenaam dankzij de klimmende zon die zich op dit vroege tijdstip al van haar beste laat kant zien. Daar omheen een strakblauwe hemel, met als ondergrond de zee als een biljartlaken. Oostelijk Corfu is schitterend vanaf zee gezien, lui!
Het hoog gelegen Spartillas ligt als een lieflijk Faller dorpje te koesteren tegen de berghelling. Meer op de voorgrond treden de prachtig gesitueerde villa’s en landhuizen met luxe muren aan de kust van Agios Markos en Barbati. Dat alles omgeven door die prachtige groene muur die Corfu zo kenmerkt. Schilderachtige Bountystranden vormen de natuurlijke overgang tussen land en water. En onder ons dat ongelofelijk heldere water van de Ionische Zee! Variërend van smaragd tot saffier, turkoois, briljant, kobalt, parelmoer en alle andere edelsteenkleuren die je maar kent. Ik kan er uren naar kijken, met de gedachte dat de grootste monsters, maar ook de meest elegante vissoorten zich daarin ophouden. Ik ben heel benieuwd welke schatten de Ionische Zee vandaag allemaal gaat prijsgeven.
Maybe just happy? (Dumb), neurie ik met Kurt Cobain (Nirvana) mee, terwijl ik de opkomende zon recht in het gezicht kijk. Snuivend inhaleer ik de zilte zeelucht. This is life! Ik ben zelfs zo gelukkig dat ik besluit het te vieren door een bak koffie te scoren. Ik heb een pot gezet en heb Antonios gevraagd plastic cups mee te nemen.
Ik houd de koffiekan omhoog en vraag hem of hij ook een bak troost wil. Yes, dat wil hij wel. ‘The cups?’, vraag ik hem, en maak een drinkgebaar. Ah, the cups? Uit zijn jaszak haalt hij een verfrommeld piepschuim bekertje dat ernstig door de ratten is aangevreten. Een helft is grotendeels verdwenen, wat wel erg artistiek staat. Waarschijnlijk heeft hij het ding in een grijs verleden ooit eens gebruikt om wat overtollige olie uit het ruim te scheppen, want de randen van het geschonden bekertje zijn net zo fris als die van een tien jaar oude aangekoekte friteuse in een studentenhuis. Daar word Rob niet vrolijk van, zou de Smaakpolitie zeggen.
Maar ach, vissers zijn tijdens de uitoefening van hun beroep misschien niet helemaal zuiver op de graat, dus ik schenk Antonios in. Meer dan halfvol kan niet vanwege de ontbrekende achterkant (of voorkant, ligt eraan van welke kant je het bekijkt), dus we hebben genoeg voor de hele dag.
Ik hoop dat hij zijn tanden gepoetst heeft, want we moeten het groezelige bekertje nog delen ook. Met maar een bestaande helft om van te drinken, moet ik zijn helft wel kiezen.

De eerste boei komt in zicht. Binnen enkele momenten gaat de Ionische Zee weer geheimen prijsgeven, realiseer ik mij. Met een vloeiende beweging gaffelt Antonios de boei binnenboord, haalt de startlijn binnen tot het eerste gedeelte van het net bovenkomt. Dat drapeert hij met een vloeiende beweging om de netkatrol en start de motor. Langzaam komen de eerste meters van het (kilometer!) lange net boven. Zoals te verwachten vertoont het eerste gedeelte geen leven, maar dan zie ik wat kleur in het net omhoog komen! Een octopus zit totaal verstrengeld in het net. Ja, zie daar maar eens uit te komen. Dat is onbegonnen werk voor de achtarm. Voor Antonios is het slechts een kwestie van een paar seconden. Met een flitsende beweging van zijn mes wordt het dier uit zijn lijden verlost en even later ligt de eerste vangst van de dag trots in de emmer. Dat belooft wat!
En verder gaat het weer met binnenhalen. Vakkundig en snel wordt het net opgetakeld door de lier, terwijl het geoefend oog van Antonios ziet of er iets eetbaars tussen zit. Ik kijk ondertussen in het glasheldere water beneden ons of ik wat levends zie glimmen in het net wat omhoog getakeld word. Dan meen ik wat te zien, zwart, wit en lang. Het volgende moment spartelt er aan dek iets driftig in het rond. Ik denk dat het een driekwart meter paling is, maar Antonios blijft met zijn handen verre van de mooie vangst. ‘Snake!’, waarschuwt hij, ‘Stay there!’. Woest stampend met zijn grote schoenen probeert hij de zeeslang op de kop te trappen. Het arme beest is daar begrijpelijkerwijs niet van gediend en probeert al glibberend en glijdend buiten bereik van de dreunende maat 45 te blijven.
Het is een mooi spektakel, om van een afstandje te bekijken. Predator and pray, live in action. De driftig stampende Antonios doet me nog het meest aan een Indiaan denken die een ronde om een totempaal danst, hopend zo regen te bewerkstelligen. Het kan niet anders of hij moet het ongelukkige beest een paar keer geraakt hebben, maar toch gaat de slang nog steeds als een dolle tekeer over het dek. Ik bereken mijn kansen als hij mijn kant op komt. Gezien de wilde pogingen van de ervaren Antonios om het beest te doden, is serieuze attentie vereist.
Dan grijpt Antonios zijn mes en probeert de hevig kronkelende slang door de kop te steken. Het mag dan wel geen paling zijn, glad is het beest wel. Telkens weet hij de wilde steken van Antonios dodelijke mes te ontwijken, of het moet hem niet deren als hij een mes door zijn kop heen krijgt.
Dan zet Antonios zwaarder geschut in: de gaffel. Duidelijk is te merken dat de slang het zat wordt om alle aanslagen op zijn leven af te weren. De arme donder krijgt een paar venijnige meppen met de roestige maar vlijmscherpe haak van de gaf te verwerken.
Uiteindelijk wint de mens het, zoals zo vaak. Ik vind het jammer voor de slang, het dier heeft zich kranig verweerd. Met een laatste siddering door zijn lange lijf geeft hij zijn nederlaag toe. Maar ik ben toch wel blij dat Antonios niet in paniek overboord is gesprongen en ik alleen met het giftige reptiel achterbleef op het kleine bootje.
Nadat Antonios is uitgehijgd, gaat hij verder met het binnenhalen van het net. Ik zie hem hopen dat niet de hele familie van de zeeslang zich in zijn net bevindt.

Over de rest van de vangst kan ik kort zijn. Na een hoopvol begin kwam al heel snel de klad er in. Het tweede net bevatte, behalve wat zeegras en een verdwaalde kokkel, niets. het derde net kwam boven met enkele visjes die in een postzegelverzameling niet zouden misstaan qua kleurrijkheid, patroon en formaat en dat was de trotse vangst van de dag. Niet genoeg om voor naar de stad te rijden en het daar te verkopen aan een marktkoopman. Wel genoeg om zelf een lekker maaltje te bereiden.
Als ik in de plastic emmer kijk en de opbrengst van veel zwoegen en zweten zie, moet ik denken aan de spreuk die ik las op de Borndiep, Kapitein Kees’ sportvisboot in Den Helder: Het is wel altijd visdag, maar niet altijd vangdag.

zaterdag 4 december 2010

Niet over rozen ging de reis

Zaterdag 4 december te lezen in de Telegraaf: Passagiers overnachten op Schiphol om sneeuw.
Vanwege de overvloedige sneeuw in combinatie met venijnige stormscheuten werd een groot aantal vluchten geschrapt. Waaronder die naar Athene. Ik had bedacht op zaterdag weer terug naar Corfu te keren, na een verblijf van vier weken onder de Nederlandse 'zon'.

Die ochtend glibberde ik door sneeuwblubber mijn laatste ritje in de zeer prettige Peugeot 306 (Bedankt Jan & Antoinette!) die mij probleemloos naar en door Nederland bracht, terzijde gezeten door een somber ogende Mirjam. Enerzijds natuurlijk vanwege het naderend afscheid, maar toch ook wel omdat zij andere hobby’s heeft dan het besturen van een vehikel van 1300 kilo over spekgladde wegen, waarbij het zicht door een felle blizzard beperkt wordt tot enkele meters.
Na de laatste langdurige knuffel zie ik haar langzaam opgaan in de asgrauwe wereld die Nederland op dat moment is. Dubbel gevoel. Daar gaat mijn lief, maar ik heb ook wel veel zin om terug te gaan naar Corfu. Het liefste nam ik haar mee. Ik spoed mij naar binnen, blij dat ik voorlopig weer even van het Hollandse weer verlost ben. Wil je geloven dat ik er niet meer tegen kan? Man, als ik buiten kwam en die wind om me heen voelde graaien terwijl ijskoude vlokken zich in mijn ogen drongen, dan dacht ik: hoe kunnen die mensen zo leven? Terwijl ik postbode ben geweest!

In Departures 1 staat een enorme rij te wachten, maar ik kan zomaar doorlopen. Aan het loket van Olympic is het namelijk heel rustig. Dat is een meevaller!
Wat een tegenvaller is, om niet te zeggen zorgwekkend, mijn koffer is zeven kilo te zwaar. Nou is dat voor mij persoonlijk een ideaal, maar de meneer van incheck verwijst mij naar een strafloket waar ik rechtstreeks boete kan doen. Die zes flessen jenever gaan meer kosten dan mij lief is.
Nauwlettend houd ik in de gaten wat het aardige blondje allemaal op het formuliertje schrijft. Ik meen 16 te zien en denk pfoeh. Ik zag het goed, zestien euro …. per kilo! Of ik even 112 euro wil neertikken. Drank maakt meer kapot dan je lief is. In gedachten geef ik mezelf een stomp voor mijn kop en betaal met een verwrongen bek. Met vreselijk de pest in ga ik op zoek naar Gate B15.
Daar aangekomen probeer ik met Sudoku en verzwegen gevloek die 112 euro te vergeten. Moeilijk, als een bandje om de tien seconden roept: Watch your step! Ook een daar neergestreken gipsyband die spontaan muziek begint te maken, kan mijn gemoed niet verbeteren.
Dan krijg ik te horen dat de vlucht vertraagd is en dat er regelingen zijn getroffen voor mensen met aansluitende bestemmingen. Ik bereid me voor op een overnachting in Athene. Tien minuten later hoeft dat al niet meer, de vlucht is geannuleerd. Of we onze bagage weer van de band willen halen en ons daarna vervoegen bij het Olympic loket. Ik zie mogelijkheden om die 112 euro terug te verdienen.

Na omgecheckt te zijn - morgen doen we een nieuwe poging - en heel lang wachten daarna, worden de gestrandden door een medewerkster naar de bus geleid die ons naar een hotel zal brengen. Ik met de besten mee, de eersten dus, en toch de dame kwijt geraakt. Zoals de meesten, zou Godzijdank later blijken. Ik klauter nietsvermoedend achter een aantal anderen aan in een stampvolle bus waar meer mensen met koffers instappen en laat me vervoeren. Komen we na een kwartier winterse landschappen aan bij een van God en Alleman verlaten gebouwtje in een landschap waar Finland hartje winter bij verbleekt. Een triester gevoel heeft zich nooit van mij meester gemaakt als ik de locatie zie. Ik dacht aan een fancy superhotel met diner, ontbijt en alle schnapps die je maar kan wensen. Dit lijkt er niet op! Ik twijfel, maar word door andere busgebruikers gemaand de bus te verlaten. Je moet er echt uit hier hoor!, zegt een man met een koffer als een jukebox. Hij ziet er betrouwbaar uit, dus ik geloof hem, al kriebelt er iets dat dit niet mijn bestemming is. Ik loop achter anderen aan, de hoop grauwe stenen binnen. Daar wacht slechts een machine waar men kan betalen. Sommigen proppen hun creditcard in het helse apparaat. Anderen staan - net als ik - verdwaasd om zich heen te kijken. This must be hell. In the middle of nowhere in een sneeuwlandschap dat een long-term parkeerterrein blijkt te zijn, met alleen een apparaat waarin je een eerder daaraan onttrokken parkeerkaart kunt duwen. Geen te dure zak M&M's, onbetaalbare fles lauw water, koud saucijzenbroodje of worstje zo oud als Sinterklaas' reet. Niets! Het wordt mij duidelijk dat ik of:
in de verkeerde bus zat, of
te vroeg ben uitgestapt.
Gelukkig komt er vanuit de sneeuwbuien een nieuwe bus aan, met een zeer vriendelijke en behulpzame allochtone (mag ook wel eens gezegd worden) chauffeur. Ik leg hem mijn situatie uit, zeg dat ik alleen op de wereld ben en niemand heb die van me houdt. De paniek moet duidelijk van mijn gezicht te lezen zijn, want hij pinkt een traan weg en zegt dat deze situatie opgelost moet worden. Al weet hij niet hoe. Wel mag ik met hem meerijden naar Schiphol. Een engel als buschauffeur! Nu maar hopen dat er nog iemand aanwezig is bij de Olympic balie.
Weer aangekomen bij de vertrekhal geef ik de chauffeur een knaak (oudHollands voor twee euro vijftig) en raad hem aan daar een bak koffie voor te kopen. Beter niet op Schiphol, dat redt hij niet. Ik bedank hem hartelijk voor saving my life en spoed mij door de vrolijke en luisterrijke wereld die Schiphol heet. Shit, weer met de volle porrie naar boven.
Departures 1. Er bestaat nog geluk, dezelfde vadsige knul met fout kapsel zit nog achter de Olympic balie. Met mijn meest onbenullige blik - mensen krijgen altijd medelijden als ze denken dat je simpel bent - beken ik dat ik de bus naar het hotel gemist heb. Hoe dat in Godsnaam mogelijk is, vraagt Fats bars. Ik weet niet waar het fout ging, jammer ik, maar het is ongetwijfeld mijn fout. Hij wil net tegen mij uitvaren als er een driftige Griekse lotgenoot aan komt lopen en met stemverheffing vraagt waar the f*ck die bus blijft. Er staan, aldus de Griek, nog veertig f*cking gestrandde passagiers in de f*cking cold te wachten op de f*cking bus! I'm not alone, neurie ik zachtjes Michael Jackson’s hit.
Ah, daar komt het mevrouwtje die ons naar de bus zou brengen toevallig ook aan wandelen. Zij krijgt van haar manager de wind van voren en een spontane hoestbui bij het vooruitzicht nog eens met de hele club in de jachtsneeuw te moeten wachten op een bus.

En toen zat ik dus op mijn tweepersoons kamer in Hotel Artemis (heel toepasselijk genoemd naar de Griekse godin van de jacht) te internetten, met een inmiddels halflege fles jenever naast me en ingelukkig. Omdat:
- ik niet de enige sukkel was, en
- een overload aan jenever, en
- het vooruitzicht om een lekker diner te scoren, en
- ik kon kiezen uit het linkse of het rechtse megabed.
Reden tot zorg is wel mijn koffer, die moet lichter. Ik heb geen zin nog eens tegen een dergelijk zweetbriefje aan te lopen. De voorraad jenever was de grootste zwaargewicht, die moet ingekrompen worden. Maar mag niet in de handbagage. Ik schenk nog maar eens in.
De Gelderse rookworsten, balen zuurkool, dozen drop en andere lekkernijen gaan als handbagage. Het gaat te ver om het allemaal op te eten (het meeste is om weg te geven), dus prop ik ze in een C1000 tas.

De volgende dag om negen uur in de morgen worden we weer opgepikt. Ik heb me al om zeven uur laten wekken. Ik ben namelijk gek op uitgebreid ontbijten in hotels. En - het diner van de avond ervoor had al in die richting gewezen - ik kwam niet bedrogen uit. Het was heerlijk en overvloedig.
Nog even kijken of er meer uit de koffer kan. De plastic tas zit bijna helemaal volgepropt. Met kunst en vliegwerk kan ik die bovenop de trolley houden. Over handbagage doen ze lang niet zo moeilijk. Ik til de koffer en dat gaat met een pinkje. Voor de zekerheid hevel ik nog een paar onderbroeken over. Nu moet het lukken! Zal ik nog een borrel nemen op de goede afloop? Toch maar niet, het moet nog negen uur worden. Als dank laat ik de bijna lege fles jenever achter op de kamer.
In opperste stemming wandel ik later Schiphol binnen en zie een enorme rij voor de balie staan. Het is nu dubbelop natuurlijk. Ik besluit iedereen voor te laten gaan en zelf een boek te gaan lezen. Als ik als laatste aan de beurt ben, heb ik de voorlaatste plaats in het vliegtuig. Raam of middenpad meneer?
Als ik mij bij douane vervoeg bedenk ik mij met een schok dat ik mijn cameratas met alles er in, in het hotel heb laten staan. Ik hoor mijn schoonzoon al zingen: Ik heb in mijn leven heel wat lullen ontmoet. Dat hij dit mailtje maar niet onder ogen krijgt.
Met mijn laatste harde euro’s, de rest is papier, kan ik Mirjam nog net bellen. Gosh, die munttelefoon (de laatste in Nederland?) is hongeriger dan Super Schredder! Ik blaf het kamer- en telefoonnummer door en hoor de gulzige telefoonstem alweer roepen: Meer, meer! Weer drie euro naar de vanen, maar de boodschap is duidelijk: Mirjam weet dat ze achter mijn broodwinning aan moet. En ik snap nu dat er mensen zijn die vitale dossiers, Stradivariussen, lichaamsonderdelen en tassen met geld in de bus laten staan.

Het is allemaal goed gekomen. De volgende dag al kon Mirjam mijn camera ophalen. Geen punt, op maandag en dinsdag werkt zij op een steenworp afstand van hotel Artemis.
Ook de 112 euro krijg ik weer terug van Olympic. Het feit dat er gelijk een dag na mijn mailtje al iemand belde, is veelbelovend.
Ook de aansluitende vlucht naar Corfu mocht ik halen, al moest ik wel drie tientjes betalen voor een nieuw ticket en was ik de laatste die nog snel de bus in glipte om naar het vliegtuig vervoerd te worden.
De aardige taxichauffeur op de luchthaven hielp met koffers inladen en heeft mij niet opgelicht.
En Penny, van ons favoriete restaurantje, was zo blij mij weer te zien, dat ik na een heerlijk maal zonder te betalen de straat op werd geschopt.

dinsdag 14 september 2010

Eet smakelijk!

Mirjam is dus naar Nederland en ik moet vanaf nu een aantal maanden voor mezelf zorgen. Dat valt nog niet mee voor iemand waar al zijn hele leven voor gezorgd wordt. Mij is door mijn ouders namelijk nooit geleerd om mijn eigen potje te koken. Toen ik in 1979 met Mirjam trouwde, zag ik daar geen aanleiding in het eens te gaan leren. Zij is een uitstekende kokkin en wij hebben ons voorgenomen de rest van ons leven bij elkaar te blijven. En dus was er voor mij geen noodzaak met potten, pannen en schalen in de weer te gaan. We hebben ruim 31 jaar geleden al afgesproken dat zij kookt en ik zo nu en dan eens een spijker in de muur sla cq. een schilderijtje ophang. Dat is altijd goed gegaan en diegenen die weten hoe ik er uit zie, weten dat ik niet van honger omgekomen ben.
Nu is dat ineens allemaal anders, nu ze er voorlopig niet is om een warme maaltijd te bereiden. Wel heeft ze allerlei briefjes achter gelaten waarop staat hoe bepaalde dingen bereid moeten worden. Het gaat dus wel lukken om te overleven, al houd ik er ernstig rekening mee dat ik ga afvallen.
Bij alle instructies die ik op voorhand kreeg, hoorde ik tot mijn verbazing dat de keus van eten vaak 's ochtends al gemaakt wordt. Dit in verband met ontdooien van diepgevroren voorwerpen als gehakt, kip en sommige groenten. Aangezien Ik Mirjam maandagochtend op het vliegveld gezet heb, en dus wel andere dingen aan mijn hoofd had, is dat er de eerste dag van mijn eenzame bestaan niet van gekomen. Omdat ik ook erg aan het idee moet wennen dat wij elkaar een hele tijd niet zullen zien, heb ik besloten om 's avonds gelijk maar naar Penny, ons favoriete restaurantje te gaan. Penny weet er van en heeft mij op het hart gedrukt dat, wanneer ik maar behoefte heb aan moederlijke zorg, ik altijd bij haar terecht kan. Voor een bak koffie, een biertje, een praatje, maar vooral voor eten. Dat dit vriendelijk aanbod geen commerciële achtergrond heeft, blijkt uit de prijs die ik na een vorstelijk maal moest betalen: 8 euro. Inclusief twee bitterkoekjes met chocola (waar ik eigenlijk niet van houd), en, drukte ze me op het hart, geen fooi!
Maar vandaag moest ik er dus echt aan, ik moest zelf een keuze maken wat ik zou eten. Normaal is dat allemaal niet zo moeilijk. Mirjam vraagt op een gegeven moment wat ik wil eten, boerenkool met worst of spaghettischotel. Ik antwoord dan dat het me niet uitmaakt omdat ik het allemaal even lekker vind en krijg enkele momenten later wat heerlijks voorgeschoteld. Simpel zat. Maar nu dus niet.
Vanochtend dus maar eens gehakt uit de vriezer gehaald. Maar wat er bij genomen? Macaroni moet wel lukken, lijkt mij. Maar dat heb ik niet op voorraad, dus ga ik even voor het eten naar Anne-Kati, het kleine buurtsupertje op de hoek van de straat. Na enige bestudering van wat zakken met wat mij macaroni lijkt, neem ik die met de berengezichten. Ik vraag Anne-Kati hoe lang dit spul moet koken. Zij wijst mij aan dat het 9 a 10 minuten moet koken. Het staat ook in het Engels, kijk maar, zegt ze. Niet vergeten er een beetje zout en olie bij te doen, voegt ze er aan toe, anders wordt het een plakkerige bende. Da's waar ook, dat had Mirjam al gezegd, herinner ik me nu.
Terwijl de macaroni staat te pruttelen, bak ik het gehakt in een pan. Eerst de smeuïge materie in tweeën delen, is mij opgedragen. Nou, dat gaat wel. Maar shit, wat spettert die bende! Telkens als ik de boel een beetje op por, voel ik allemaal speldenprikken op mijn armen.
Met de mobiel naast me - wekker! - houd ik het hele proces in de gaten. Als ik het gehakt na een paar minuten sudderen wil keren, blijkt het al aardig zwart te zijn. Nou ja, een lekker korstje vind ik niet erg. En de volgende keer het gas niet constant op de hoogste stand. Als na enkele minuten de macaroni ook gaar lijkt, ik heb er een paar geproefd en die kon ik zonder afbrekende tanden verwerken, het hele zootje op een bord gedeponeerd. Ben ik vergeten het gehakt te zouten! Nou ja, met een flinke vleug kerriepoeder, een extra klodder mayonaise en veel Maggi zit er toch nog een beetje smaak aan.
Mochten lezers suggesties hebben om simpele, liefst heel simpele gerechten te bereiden dan houdt deze jongen zich aanbevolen....