Green Island Blog

Posts tonen met het label cultuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cultuur. Alle posts tonen

vrijdag 26 juli 2013

Zo kan het ook

Tijdens een van mijn eenzame fietstochten door de prachtige Ropa Vallei vond ik eens een auto ondersteboven in een diepe greppel. Waarschijnlijk was de chauffeur in volle vaart rechtdoor gereden terwijl de weg in een haakse bocht naar links ging.
Ik stapte af en was benieuwd of er nog iemand in de wagen zat. Op mijn roepen kwam geen antwoord. Niet geheel gerustgesteld, misschien zat de chauffeur wel zwaargewond of dood in het wrak bekneld,  besloot ik het alarmnummer van de politie te bellen.
Ik legde uit dat ik bij het wrak van een auto in een diepe greppel stond en niet zeker wist of er nog iemand in zat.
Waarom ik hem belde, was de vraag.
Eh, dit is toch het alarmnummer van de politie?
Ja, dus?
Ik legde nogmaals uit dat ik op de plaats van een ongeluk stond en niet wist of er eventueel een gewonde of dode in het wrak zat.
Jaja, dat snapte hij wel. Wat hij niet begreep was waarom ik hem dan belde. Diepe zucht. Maar goed, hij zou mij wel even doorverbinden.
Neh? (Ja?), kraakte de lijn.
Eh, you speak English?, vroeg ik.
Oxi (Nee), ik moest Grieks spreken.
Daar heeft hij een punt, dacht ik, maar daar werd de situatie van een eventuele gewonde niet beter van op dat moment. De redding leek zich aan te dienen in de vorm van een passerende motorrijder en ik wenkte hem met wijdse armgebaren. Hij stopte en ik wees hem op de auto in de greppel. Police, zei ik tegen hem en gaf hem mijn mobiel.
Beide mannen blaften wat tegen elkaar, waarna de motorrijder mij mijn mobiel terug gaf en vertelde dat de politie misschien nog wel een keer langs zou komen. Ooit, eens, waarschijnlijk, misschien. Waarna hij gas gaf en al snel aan de einder verdween.
Even kwam de gedachte in mij op om dan ook maar door te fietsen. Maar dat vond ik toch geen prettig idee. Toen ben ik dus maar met gevaar voor hals, nek en nieren op teenslippers in de steile greppel afgedaald om er drie meter lager achter te komen dat er gelukkig niemand meer in de auto zat. De bestuurder moet donders veel geluk gehad hebben, het dak zat helemaal tegen het stuur gewrongen. Pfoeh, dat liep dus goed af, maar niet dankzij de Politie van Corfu.
Aldus vertelde ik aan Paul, een goede vriend van ons. Hij knikte begrijpend, maar legde uit dat hij de politie van ons prettige Griekse eilandje toch bijzonder hoog had staan. Zijn relaas verklaart alles.

Paul komt op een rustige late zondagmiddag op het briljante idee om samen met moeder de vrouw naar de Chinees te gaan. In het kader ‘kom maar zoals je bent’ stapt hij de auto in met zijn favoriete Plutosloffen nog aan de voeten, compleet met vrolijk flapperende oren en lange dopneus. En ze laten zich het maal smaken. Paul spoelt het weg met een respectabel aantal biertjes, terwijl Lula, zijn vrouw , het rustig aan doet met wijn.
Twee uur later weer onderweg naar huis loopt hij in de fuik. De politie van Corfu heeft groots uitgepakt met zes auto’s, drie motorfietsen en een indrukwekkend aantal agenten.
Een jonge officier loopt op Paul toe en vraagt vriendelijk of hij zijn papieren even mag zien. Paul voldoet met enige terughoudendheid aan dit verzoek, wetende dat niet alles helemaal in orde is. Zijn rijbewijs is zo versleten en opgevouwen dat het in een holle kies past. De verzekeringspapieren liggen veilig opgeborgen thuis en wegenbelasting heeft hij nog nooit betaald. De APK van de auto is reeds jaren verlopen. De auto is dan ook niet meer showroom-fris. De rechter achterlichtconsole is geheel verdwenen, er zit speling op de stuurkolom, de banden zijn zo glad als slicks en in de linker buitenspiegel zit een ster die het hele oppervlak beslaat.
De jonge motoragent lijkt echter niet onder de indruk te zijn. Of mijnheer gedronken heeft?, vraagt hij.
Jawel officier, geeft Paul ruiterlijk toe, ik heb er een paar op.
Hm, zou hij dan mee willen werken aan een blaastest?
Zeker officier, is Paul heel coöperatief, en opent het portier. Daar zwaaien zijn in Plutosloffen gehulde voeten naar buiten. De motoragent vertrekt echter geen spier en overhandigt Paul het blaasinstrument. De wijzer slaat uit tot diep in het rode vak.
Hm, zoals het er nu uitziet heeft mijnheer te veel gedronken, stelt de agent vast.
Ja, maar het was ook zo gezellig, vult Paul welwillend aan.
Wat nu als we even een kwartiertje a een half uurtje wachten en het nog eens proberen?, stelt de agent voor.
Nou, dat is niet tegen dovemansoren gezegd en terwijl Lula duidelijk maakt dat ze niet bij die man hoort, loopt Paul wat rondjes in de hoop dat daardoor zijn alcoholpromilage snel reduceert tot een acceptabel niveau. Een uur later slaat de test echter nog steeds onverbiddelijk rood uit.
Tja, dan zit er helaas niets anders op dan te constateren dat mijnheer boven de wettelijk toegestane limiet gedronken heeft, stelt de agent enigzins verlegen vast.
OK, antwoordt Paul, en wat betekent dat, officier?
Daar staat een boete op meneer, zegt de agent, de punten van zijn laarzen ernstig bestuderend.
Paul buigt schuldbewust het hoofd en vraagt hoeveel de boete bedraagt.
Tweehonderd euro mijnheer, fluistert de agent enigzins bedremmeld. Maar als u binnen tien dagen betaalt dan kost het maar de helft!, voegt hij er enthousiast aan toe.
Paul blaast onhoorbaar een zucht van verlichting uit en belooft dat advies zeker in overweging te zullen nemen. De agent schrijft een bon uit en draait zich om om zich bij zijn collega’s te voegen.
Maarreh mijnheer de officier, roept Paul, hoe komen we nu thuis?
De agent trekt zijn wenkbrauwen zichtbaar verbaasd omhoog en kijkt Paul bevreemd aan. Met de auto natuurlijk!, roept hij uit.
Zo snel als zijn Plutosloffen hem kunnen dragen, wankelt Paul naar zijn auto.

zondag 28 april 2013

Engelen en orchideeën

Death makes angels of us all, dichtte Jim Morrison enkele decennia geleden (An American Prayer). En is het niet waar?, denk ik, als ik langs de graven op de Engelse begraafplaats op Corfu loop en de opschriften lees. Welke grafsteen ik ook bekijk, van de doden niets dan goeds. Ze getuigen allemaal van een intens gemis van de overledene, wat een moedig en fijn persoon hij of zij toch wel was en ander uitgesproken verdriet. Een van de meest dramatische epitafen vond ik wel Memories of my dear son Tom, a very sad mother.
Toch ben ik deze keer niet gekomen voor de graven - al pik ik er zo nu en dan toch even een mee - maar voor de orchideeën. In april en mei zijn hier namelijk tientallen soorten te ontdekken. Niet allemaal netjes in perkjes met daarvoor een keurig plastic bordje met de naam van de orchidee. Nee, deze bijzondere bloemen staan gewoon lukraak verspreid over de hele begraafplaats. Tussen graven, op wandelpaden, in het gras, tussen struiken, overal waar je loopt. Zoals het hoort, zou ik zeggen. Dit is Corfu, remember?

Als ik de zware ijzeren deur die toegang verleent tot de begraafplaats openduw, klingelt het belletje schril door de doodse stilte. Verder hoor ik niets. Ik loop langs het huis van de beheerder, George. De vorige keer kwam hij direkt naar mij toe en begon zijn verhaal ongevraagd af te steken. Nu verschijnt er niemand. Hm, misschien heeft hij zijn plekje op de begraafplaats inmiddels ingenomen. Hij vertelde toen dat hij het mooiste plekje op het knekelveld voor zichzelf gereserveerd heeft. Straks eens kijken, maar nu eerst op zoek naar orchideeën.
Al snel heeft mijn ongeoefend oog een concentratie van deze prachtige bloemen gevonden. Gewoon op een pad langs een aantal graven, tussen gras en onkruid.
Om ze mooi te fotograferen, moet ik door de knieën. Wil ik het nog beter doen dan moet ik er zelfs bij gaan liggen. Het zijn er zoveel dat het onvermijdelijk is dat ik er enkele zal pletten. Op het gevaar af dat George ineens achter me staat en mij vraagt wat ik bovenop zijn orchideeën doe, lig ik even later zuchtend en steunend op ooghoogte van het doel van mijn tocht. Echt comfortabel ligt het niet op de ongelijkmatige bodem van pollen, steentjes, kluiten en klam gras, maar de beloning is er. Verlekkerd vind ik een aantal prachtige exemplaren, de een nog mooier dan de ander.
Wat zijn het toch een schitterende planten, zeker als je ze van dichtbij kunt bekijken. De vele variaties aan tekening, vorm, formaat en dessin. Maar vooral die kleuren! Mijn camera maakt weer eens overuren.
Zo breng ik enkele uren door op deze bijzondere begraafplaats aan de rand van Corfu Stad, telkens weer nieuwe schatten ontdekkend. Het grootste gedeelte van de tijd breng ik op mijn buik liggend door. Gelukkig is er verder niemand, ik zou andere bezoekers maar aan het schrikken maken als ze ineens een paar benen achter een zerk zien liggen. Ik ben helemaal alleen, met de doden, de razende stilte, de bloemenpracht, de vogels en ... de insecten. Ik ben me er van bewust dat ik mij in hun territorium ophoud, maar dat is toch geen reden mij helemaal lek te prikken en te bijten. Het was niet mijn slimste idee ooit om in korte broek naar de British Cemetary te gaan om daar het grootste gedeelte kruipend, zittend en liggend door te brengen. Shit, mijn benen en in teenslippers gestoken voeten lijken wel op die van iemand met rode hond. En jeuken!
Het laatste stuk van mijn ronde breng ik noodgedwongen in staande positie door. De bloemenweelde staat hier in zo’n overweldigende hoeveelheid dat ik het vanuit een hoger standpunt moet fotograferen. Maar goed ook, want ik hoor ineens stemmen. Twee mannen die het ergens niet over eens lijken te zijn, praten hard over en weer. Toch worden ze het blijkbaar eens, want plotseling wordt de stilte verstoord door het geraas van een gemotoriseerde grasmaaier. Even later zie ik een man zwoegend, zwetend en ploegend achter een aftandse maaimachine aan strompelen, gevolgd door een bejaarde man die aanwijzingen geeft. Als hij in de gaten heeft dat er bezoek is, komt hij gelijk door het lange gras op mij toe lopen.
Vanonder zijn sportpet herken ik George, de kerkhofbeheerder. Hij herkent mij niet en na mij gevraagd te hebben waar ik vandaan kom, begint hij gelijk weer zijn betoog af te steken. Geroutineerd leegt hij zijn hele register. Van de oorsprong van de begraafplaats in 1816, via de pestpokken, de cholera en de Turken, naar de bloedige aanslag van de Albanezen op twee Britse mijnenvegers. Ook de wens van veel Britten die hun stoffelijke resten vanuit hun thuisland laten opsturen naar Corfu om hier begraven te worden, laat hij niet onbelicht. In rap tempo legt hij uit hoe het kerkhof in de loop van de eeuwen gevuld werd. Hij ratelt zijn repertoir in een adem af, zonder de belangrijke details over te slaan. En dat zonder dat ik er een kwartje ingegooid heb.
Aan het eind van zijn verhaal haalt hij eens diep adem en voegt zich weer bij zijn collega, mij alleen latend met mijn gedachten.
Na een laatste blik op de paradijselijke omgeving wandel ik naar de uitgang en trek de zware deur achter mij dicht. Ik laat de dood achter mij en stort mij even later in de drukte van Corfu Stad, op zoek naar een levendig terras.

Zie hier het album

woensdag 6 maart 2013

No need to say: Cheese!


Ik ben geen groot liefhebber van Griekse muziek. Bij ons dus geen enorme collectie Theodorakis, Dalaras, Parios, Mouskouri, Rouvas of Alexiou, om maar een paar grootheden te noemen. Toch wisten wij niet hoe snel wij een plaatsje moesten bespreken bij Ambelonas, een soort van cultureel centrum annex restaurant, niet ver bij ons uit de buurt. Dit vanwege de volgende aankondiging: Exclusive music event - a journey to the traditional Greek music of distinctive quality with authentic traditional instruments like bouzouki, violin, laute, oud, canon, percussion, vocals and dancing.
Om zoiets mee te maken, is een feest. Dan neem je de muziek voor lief.

Al bij aankomst komen ons toonladders van de meest uiteenlopende soort tegemoet. Onze nieuwsgierigheid wordt nog meer versterkt wat we vandaag voorgeschoteld zullen krijgen. Ga maar na, een zes-koppige band die traditionele Griekse muziek zal spelen met een scala aan authentieke instrumenten. Natuurlijk de bouzouki, maar ook de luit (ook wel baglamas genoemd), de Tsabouna, wat iets weg heeft van een  doedelzak, castagnetten, mandoline, een apparaat met duizend knoppen en snaren (Santouri, wij noemen het een hakkeboord), blokfluit, Daouli oftewel de grote trom en natuurlijk zang.
Alleen het stemmen is al een genot om te zien en te horen. De melancholieke tonen van de verschillende instrumenten vullen de prachtige ruimte van Ambelonas in zijn geheel.
Terwijl wij op onze gerechten wachten, die per stuk gebracht worden door een lief meisje met een immens brede lach, heb ik de kans om wat plaatjes te maken. Wat mij altijd weer opvalt, als ik door mijn zoeker zo’n festijn gadesla, is dat de Grieken zo opgaan in hun feesten. Ik zie alleen maar lachende gezichten, blije mensen die echt plezier met elkaar hebben. Aan de grote tafels zitten de families, aan de melee van generaties te zien. Aan de andere tafels zitten koppels vrienden. Er wordt gelachen en gedronken en iedereen is in een opperste stemming, in afwachting van wat komen gaat.
Naar goed Grieks gebruik beginnen de muzikanten zo’n anderhalf uur te laat met spelen. Er is echter geen mens die dit als probleem ziet. De afgeladen ruimte zit vol met Grieken die zeer luidruchtig met elkaar van gedachten wisselen, ik zie alleen maar vrolijke gezichten. Serveersters lopen af en aan met de lekkerste gerechten, kannen wijn en andere spiritualiën. Wat een sfeer!
Als de eerste muziek door de gelagzaal klinkt, treedt er een verandering op in de sfeervolle entourage. Binnen de kortste keren verlaten verschillende gasten hun plaats om gearmd met andere bezoekers te dansen op de muziek. De beperkte ruimte die dienst doet als dansvloer zorgt er voor dat de rondjes die gedraaid worden zeer klein zijn. Toch is dit geen enkele belemmering voor de aanwezigen, jong en oud, om zich met regelmaat in het feestgewoel te storten en in te haken bij de dansende en hossende menigte. Geweldig om te zien is ook dat bijna iedereen de teksten van de ten gehore gebrachte liederen uit volle borst meezingt. Een genot voor zowel het oor als het oog.
De muziek die gemaakt wordt, heeft een hoog sentimenteel gehalte. Vooral de klaaglijke zang doet enigszins denken aan Turkse muziek. Niet vreemd natuurlijk, buren als ze zijn, al zijn de Grieken en Turken zeker geen vrienden voor het leven. Duidelijk is te horen dat er drama van duizend jaar oorlog, geweld, bloedvergieten, verraad en veldslagen in de liederen zit verwerkt. Diegenen die zich in de lange geschiedenis van Griekenland en omgeving verdiept hebben, weten welke tragedies zich hier door de eeuwen heen hebben afgespeeld. Het is voor de Griek echter geen reden tot kniezen. Muziek is altijd de ultieme uitlaatklep voor hun verdriet geweest en zal het ook altijd zijn. In onze directe omgeving treurt dan ook niemand, ongeacht de uitzichtloze en belabberde situatie waarin velen zich momenteel bevinden. Waar ik ook kijk, ik zie overal stralende en oprecht lachende gezichten.
Dat vind ik nou zo knap van de Griek! Hoe zwaar hun land ook getroffen is als het middelpunt van de Europese crisis, muziek en de daarbij behorende dans houdt ze op de been. Juist daarom vieren ze feest, uitbundig, ongeremd, vrolijk en intens.
Morgen zullen we weer lijden omdat dat hoort, omdat dit door de buitenwacht verwacht wordt. Maar nu even niet.

De Santouri


maandag 27 februari 2012

Uitzien naar uitzicht


Goddelijk uitzicht vanaf de berg Stavros, lazen wij in de gids met wandelingen op Corfu. Nou, als dat geen aanbeveling is. Dat goddelijke zal wel meevallen. Het te behalen doel is namelijk een kloostertje en de bewoners van dergelijke gebouwen hebben meestal niet veel met God op. Maar dat doet niets aan het uitzicht af, dus we gaan ervoor.
Wel is het een wandeling in categorie 2, op een schaal van 3, waarschuwt de gids. Een kleine tien kilometer, met veel onverharde paden en stijgingen tot wel 400 meter. Ach, met een hond wandel je dagelijks, dus dat moeten we wel kunnen hebben. Ook al is het een van de eerste wandelingen van 2012. De wandelstappers dus aan en wij op weg naar Strongili, een dorpje dat ingesloten is tussen een aantal bergen.
Op aanwijzing van de gids vinden wij het pad waar onze wandeltocht begint. Het weer werkt aan alle kanten mee, het is een schitterende dag met een temperatuur van rond de 20 graden, dus het belooft een mooie wandeling te worden. Plati gaat ons kwispelend voor als wij het licht stijgende pad betreden.

Na enkele minuten wandelen, vinden wij het eerste herkenningspunt, een kleine kerk met daarvoor de begraafplaats. Plati rent enthousiast tussen de zerken en vervallen graven door, wat ik niet zo’n goed idee vind. Straks komt ze nog met een kluif aan, dus we roepen haar snel bij ons en vervolgen onze weg.
Een stiefkwartiertje later arriveren we bij het volgende referentiepunt. Een kerk, hoe kan het ook anders. Dit is waarschijnlijk meer een familiekerk (veel Griekse families hebben hun eigen kerk), want er is alleen een klein begraafplaatsje met enkele graven. Bij de ingang is een graf tegen de kerkmuur aan gemetseld en bij de entree van het terrein ligt nog een grafsteen. Het is er heerlijk rustig en terwijl ik even een paar plaatjes schiet, geniet Mirjam van de warme zonnestralen.
Maar de echte wandeling moet nog beginnen, dus al snel gaan we op zoek naar het volgende herkenningspunt. Door olijfgaarden, langs reuzencactussen en cipressen gaan we steeds verder landinwaarts. Net als we een olijfgaard verlaten en door de volle zon verblind worden, komt er een stokoude pick-up de berg afrollen, motor uit. Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen. In het autootje zit een setje bejaarden die de auto waarschijnlijk nieuw gekocht hebben. Na hun trouwen in 1926. Maar een heel leuk en vriendelijk stel want ze zetten de auto knarsend stil en vragen waar we heen gaan. Naar de Moni Pantokrator, zeggen wij. Ah, poli oreo (heel mooi), zeggen de oudjes in koor. Dan begint hij ons uit te leggen hoe we moeten lopen. Mirjam toont hem onze routebeschrijving, maar die keurt hij geen blik waardig, we kunnen maar beter op zijn beschrijving afgaan. Verschillende malen vangen we het woord ecclisia op, dus we zullen nog wel een paar kerken tegenkomen. We bedanken ze uitbundig en vervolgen onze route weer.
Inderdaad komen we na enkele kilometers weer een kerkje tegen. Waanzinnig uitzicht over een dal met daarachter de bergketen die de westkust van Corfu aan ons zicht onttrekt.
Weer begeven wij ons door de rijke olijfgaarden (in het binnenland van Corfu staat verreweg het grootste gedeelte van de pakbeet vijf miljoen olijfbomen die het eiland telt) en genieten van de stilte, die alleen zo nu en dan doorbroken wordt door een blaffende hond of een verdwaalde kippenkreet.
Geheel volgens het boekje komen we na een uur wandelen, waarbij we al die tijd flink gestegen zijn, in de buitengebieden van Komianata en Dafnata, twee mini bergdorpjes die in elkaar overlopen en ogenschijnlijk van God en alleman afgesneden zijn. Wij hebben tenminste geen verharde wegen kunnen ontdekken. Misschien is het alleen vanaf de andere kant van de berg waartegen het aangeplakt is, te bereiken.
Kommiedoen?
We worden opgewacht door de vrouw van de burgemeester, die ons hartelijk welkom heet. Tja, zo vaak krijgen ze geen bezoek. Het doel van onze tocht, wil ze weten. Als wij het klooster noemen, lichten haar achter jampotglazen gestoken ogen op. Ook volgens haar is het alleszins de moeite waard.
We doorkruisen de smalle straatjes, vergapen ons aan de snoeioude huisjes, waarderen de vriendelijkheid van de mensen - zonder uitzondering lopen ze allemaal tegen de honderd – en vragen ons af of deze mensen ooit hun dorp wel eens verlaten hebben.
Na uitgezwaaid te zijn door de voltallige bevolking start de wandeling pas echt. Via een rotsachtig pad, wat absoluut ontraden moet worden aan rolstoelgebruikers, slingeren we door prachtige natuur naar boven. Na een bocht menen we het kloostertje te zien liggen. Hoog inderdaad, prachtig wit afgetekend tegen een stralend helderblauwe lucht.
Hm, dat wordt nog een pittige tippel. Zeker als al snel blijkt dat wij ons vergist hebben. Het klooster ligt nog hoger en een heel eind verderop. Het witte gebouwtje dat wij voor een klooster versleten, blijkt een gewoon huis te zijn, schitterend gesitueerd bovenop een berg. Je moet wel van lezen houden, schiet het door mij heen als ik het huisje zie afsteken tegen de hemel.
Het pad wordt steeds ruwer en moeilijker begaanbaar. Het door veel groen omgeven slingerpad is bezaaid met losliggende rotsen, keien en stenen. Oppassen dus dat we niets verzwikken of dat je ineens bij je enkels afbreekt want dan heb je echt een probleem. Een helikopter lijkt het meest voor de hand liggende transportmiddel om dan opgehaald te worden.
Van het klooster geen spoor, wel zien we dat de bergwand voor ons een pad vertoont. We dalen weer flink af, wat lekker is na het vele stijgen. Helaas gaat het daarna weer steil omhoog. Maar we zijn nog jong en we laten ons niet kennen. Wel zijn we bijna door ons water heen, want de zon schijnt op ons bolletje, en we hebben geen parasolletje. Wat is water dan toch lekker.
Inmiddels beginnen onze kuiten een beetje te vlammen. Na de afdaling kwam toch echt weer de stijging en dat nog eens over moeilijk begaanbaar terrein. Het doet ons denken aan de wandeling naar Porto Timonei, de tweelingbaai aan de westkust van Corfu. Dit is alleen wel een langer traject, veel langer.
Maar dan krijgen we toch waar we voor gekomen zijn! Eindelijk komt het klooster in zicht. Op een vooruitgeschoven klif van de berg Stavros, hoog torenend boven het schitterende dal, prijkt het klooster Moni Pantokrator. Betekent niet dat we er al zijn, we moeten eerst nog een fiks terrein doorkruisen en dat gaat steeds meer zeer doen.
Na nog eens een kwartier zwikken en zwalken arriveren we dan eindelijk bij het doel van de reis. Het gebouwtje is enigszins teleurstellend, met een klein huisje ervoor en het klooster – van zeer bescheiden afmetingen – zelf. Maar het uitzicht en de omgeving is zoals beloofd prachtig.
We laten onze laatste druppels water en een paar meegebrachte boterhammen goed smaken en geven onze geteisterde kuiten wat rust. Maar dan moeten we toch echt de terugweg gaan aanvaarden. We willen het laatste stuk door donkere olijfbossen en overwoekerde paden niet in het duister afleggen.
De routekaart verwijst ons via de andere kant van de berg weer terug naar Komianata. Het is natuurlijk leuk dat je hetzelfde traject niet weer helemaal terug hoeft, maar we moeten wel weer omhoog. Dat wordt ons bijna teveel, regelmatig moeten we even stilhouden om bloed te spugen en onze raspende longen rust te gunnen. Komt bij dat Mirjam niet haar beste wandelschoenen aan heeft en flink last van haar enkels begint te krijgen. Het terrein is ook niet bepaald een biljartlaken, al is er veel groen te genieten.
We komen bij een punt dat we de heenroute door de bergen kunnen zien. Het pad steekt duidelijk af tegen de groene berghelling. En we kunnen tegelijk zien dat dit pad geconnecteerd wordt door een pad dat zich afsplitst van het traject dat ons nog wacht. Volgens onze berekeningen snijden we een pittig stuk af als we dit sluipweggetje nemen. Maar het houdt ook in dat we een van de hoogtepunten van de wandeling, een schitterend uitzicht op de oostkant van Corfu, niet te zien krijgen. Corfu Stad, de luchthaven en de naastgelegen lagune met op de achtergrond de Pantokrator (de enige echte) zijn op een bepaald punt allemaal in een oogopslag te bewonderen. En dat trekt toch ook wel. We laten het aan het moment over en vervolgen met knikkende knieën en kabbelende kuiten onze weg.
Eenmaal bij de splitsing verkeren we in dilemma. Gaan we vals spelen en snijden we een stuk af, of gaan we voor het vergezicht over Corfu? De eerste optie leidt omlaag, de tweede gaat weer omhoog. Mirjam, die flink opspelende enkels heeft, is best bereid tot vals spelen. Maar met de zon in de rug zou ik wel heel mooie foto’s kunnen maken natuurlijk. Ik besluit alleen een stukje omhoog te lopen om te zien of het traject achter de bocht het weergaloze uitzicht biedt, of dat we nog verder moeten stijgen.
Even later breng ik verslag uit, we kunnen maar beter naar beneden gaan. Er wachten nog enkele beklimmingen en ik kon niet ontdekken hoeveel nog alvorens de afdaling weer in te zetten. We gaan dus naar beneden.
Afdalen lijkt minder vermoeiend en sec gezien klopt dit ook. Je hoeft niet de hele tijd je eigen gewicht omhoog te slepen. Maar voor je kuiten, knieën en heupen is een ferme afdaling de pest. Komt bij dat ik mijn teennagels had moeten knippen. Mijn tenen gillen het uit van de druk van mijn volledige gewicht tegen de neus van mijn schoenen. Mirjam is solidair en verzwikt halverwege de helse rit haar enkel, dus zijn we dolblij dat we na vierenhalf uur strompelen en zwoegen weer bij de auto zijn.
En dan te mogen zitten!

woensdag 5 oktober 2011

We could be heroes

Het zal iedereen die regelmatig op vakantie is op Corfu, of waar dan ook in Griekenland, zijn opgevallen dat het hele eiland bezaaid is met zogenaamde heiligenhuisjes (door mij zo genoemd, in werkelijk heten ze Ikonostasie - Ikoon = Heilig, Stasie = Gedenkplaats). Kleine vierkante kastjes van uiteenlopend formaat en materiaal, rustend op een sokkel en variërend van zeer luxe tot goedkoop en vervallen. Doen ze in ieder geval nog dienst als vogelhuisje, merkte mijn vrouw eens op.
Zo'n huisje is door de nabestaanden van een verkeersslachtoffer op de plaats van het ongeluk neergezet. Het hoeft overigens niet altijd een dode te zijn die vertegenwoordigd wordt door zo'n huisje. Het kan ook een dankteken zijn als het slachtoffer het overleefd heeft. Dan staat er geen kruis op. De meeste kapelletjes zijn echter met kruis, wat impliceert dat er op Corfu heel wat te betreuren valt. Ook als het huisje geen kruis heeft, is er alle reden voor rouw. Vanwege de erbarmelijke staat van veel ziekenhuizen in Griekenland prefereren de meeste slachtoffers de dood. De kleine huisjes worden onderhouden door familie zolang het in hun vermogen ligt.
Het is voor de gelovige Griek - en dat zijn ze allemaal, al laten ze er niet veel van merken - heel belangrijk om op de plaats van het ongeval een dergelijk huisje op te trekken. Dat heeft alles te maken met de lange reis naar boven. Feit is dat het huisje voorzien is van alle hulpmiddelen die een overledene zich maar kan wensen: eten en drinken, kaars- of lamplicht, boeken, een foto van zichzelf zodat hij zich voor de geest kan halen hoe hij er op dit ondermaanse uitzag en wat andere persoonlijke voorwerpen waar hij tijdens zijn aardse bestaan aan gehecht was. Mits van klein formaat zodat ze in het huisje passen. Een PlayStation of X-Box heb ik nog niet gezien, net zomin als mobiele telefoons en CD-walkmans, maar verder kan je er van alles tegenkomen. Dit alles achter een raampje uitgestald, zodat oprukkend vocht en andere weerselementen geen kans hebben. Het lampje - meestal op olie gestookt - moet altijd brandende blijven, vandaar dat er soms een olievaatje achter het huisje staat.
Wat opvalt als je de foto's bekijkt die in de huisjes hangen is dat het altijd om jongens of jonge mannen gaat. Ik heb tenminste niets anders kunnen ontdekken en ik heb er heel wat gezien (en gefotografeerd). Misschien is het ongebruikelijk om voor meisjes een huisje op te richten, of die rijden wellicht wat voorzichtiger. In de haantjescultuur die ook Griekenland niet vreemd is, gok ik er echter op dat meisjes het blijkbaar niet waard zijn om een huisje voor op te richten. Een meisje is namelijk geen stamboomhouder.
Nu hebben dood en leven natuurlijk ons aller aandacht als sterfelijk mens, dus ik sta wel eens op mijn gemak zo'n huisje te bekijken en dan denk je: weer een jong leven dat geofferd is op het Altaar van de Grote Haast. En je bent blij dat het geen bekend gezicht is, laat staan het gezicht van je eigen kind. Want het zal je jong maar wezen!
Je komt die dingen dus, zoals gezegd, overal op het eiland in groten getale tegen. Vooral op bergweggetjes met diepe afgronden en bochtige trajecten zweeft je hoofd - mijn hoofd dan - van links naar rechts en weer terug naar de kleine monumenten, opgetrokken voor grote drama's. Ook op kruispunten en in onoverzichtelijke bochten kijk je je ogen uit. Het is vooral de hoeveelheid huisjes die mij aan het denken heeft gezet. Want ondanks dat het heilige-huisjes-park zich nog altijd in zorgwekkend tempo uitbreidt, rijdt de Griekse bloem der natie onafgebroken alsof de duivel ze op de hielen zit. Op de door (olijf)olie glad geworden en slecht onderhouden wegen word je in je auto regelmatig ingehaald door in badkledij gestoken jeugd op scooters en andere gemotoriseerde tweewielers, die je tijdens het passeren enigszins bevreemd aankijken waarom je maar tachtig rijdt. Vaak gaat het goed. Ik heb het gelukkig (nog) niet mee hoeven maken dat de passanten het volgende moment levenloos om een boom gevouwen lagen, of een afgrond inreden. Maar de vele huisjes zijn stille getuigen van de keren dat het niet goed afliep.
Ook de iets oudere jeugd die zich inmiddels met een auto mag verplaatsen, laat zich niet onbetuigd. Jonge Grieken storten zich - vaak met flink wat drank op - met ware doodsverachting en hoge snelheid van Corfu's hellingen en bergwanden af. Radio op volle sterkte, blik op nonchalant en het linker armpje achteloos buitenboord bungelend vliegen ze laag over Corfu's wegen, te pas en te onpas andere weggebruikers inhalend. Niet wetend wanneer voor hen de teller ophoudt en zich er ogenschijnlijk ook niet druk om makend. En je denkt: Vreemd.
Nu heb ik eens een alleraardigst boekje gelezen over de Grieken in het algemeen en hun kenmerkende eigenschappen in het bijzonder en dat biedt tot op zekere hoogte toch wel een verklaring. De gemiddelde Griek - hoe nonchalant ogend ook - maakt zich erg druk om zijn imago ten opzichte van het andere geslacht, aldus het boekje. Dus weet de jeugdige Corfioot al vroeg dat er een beeld bestaat van de stoere en roekeloze Griek, door vrouwen geadoreerd en bewonderend gadegeslagen. Daar behoort hij aan te voldoen wil hij serieus genomen worden. En daar kan je niet vroeg genoeg aan beginnen, aldus de Griekjes.
Roekeloos rijgedrag op gevaarlijke wegen draagt natuurlijk prettig bij aan de vorming van zijn mannelijkheid, of moeten we zeggen aan zijn goddelijkheid? Want zo voelt hij zich, als hij met duizelingwekkende snelheid op een scherpe bocht met daarachter slechts de gapende muil van een afgrond afschiet, gadegeslagen door hoofdschuddende medeweggebruikers, jonge meisjes en vrienden. God op een scooter, bouwend aan zijn reputatie.
Er lijkt voor de Griekse haantjes slechts één overtreffende trap van stoerheid te zijn en dat is om daadwerkelijk te verongelukken. Een andere verklaring kan ik niet vinden in het onverantwoordelijke weggebruik van de jeugdige Grieken. Als je eenmaal opgenomen bent in de rijen van helden die je vanuit de heiligenhuisjes vanaf een foto aankijken, dan is het ultieme doel bereikt: onsterfelijkheid. Je bent dan wel dood, maar er wordt wel een openbaar monument(je) ter nagedachtenis opgetrokken. Speciaal voor jou! Voor iedereen goed zichtbaar, op de plaats waar je je laatste heldendaad uitvoerde en je leven een eind nam. Dat je familie in rouw en schuldgevoel achterblijft is allemaal best wel jammer, maar ondergeschikt aan het slagen van zijn missie: zijn leven geven en opgenomen worden in de rijen jeugdige verkeersslachtoffers met een persoonlijk gedenkteken.
Laatst stond ik weer even te kijken in een vrij nieuw huisje nabij een gevaarlijk kruispunt. Gezien de uiterlijke staat van het huisje stond het er nog niet lang. Kakelvers, alles nog nieuw, levende bloemen en een voortdurend brandend lampje. Ook de foto van een jonge fris ogende knaap was nog in perfecte conditie. We keken elkaar recht in de ogen en hij leek te zeggen: ik heb het gehaald. Heb jij het lef om mij te volgen naar het sterrendom?


vrijdag 16 september 2011

Een avond in Corfu (Stad)


Omdat de belasting buitengewoon aardig voor ons geweest is, besluiten we dat op vrijdagavond te vieren met een etentje in Corfu Stad. We kennen daar een uitstekend en pittoresk restaurantje genaamd Campiola. Niet de doorsnee Griekse kaart, het mag allemaal iets meer kosten hier. Erg goed.
Mirjam moet echter eerst een paar uur de kunstschatten van de internationale Paverpol expositie van Corfu bewaken, dus moet ik me zolang bezig houden in de stad. Nou, dat is niet zo moeilijk, ik zou er dagen kunnen zwerven.
Na Mirjam te hebben afgezet bij de expositieruimte, begeef ik mij vast richting de buurt waar Campiëllo is gevestigd. En laat ik nou vlakbij het restaurant een gaatje zien! This must be my lucky night.

Even later zwerf ik door de nu snel invallende duisternis, driftig kiekend in de drukke winkelstraten en smalle steegjes. In Corfu Stad is altijd wel wat te fotograferen.
Niet ver vanaf de Espianade valt mijn oog op een deftige bronzen plaat naast een statige maar openstaande deur. Het blijkt een soort van museum van een grote Griekse bank te zijn. He, hier is een foto tentoonstelling! Ah, van een Italiaanse fotograaf die triomfen vierde aan het begin van de 20ste eeuw. Zal dus wel in zwart wit zijn. Omdat ik nog wel even tijd heb, beklim ik de treden en zie tussen wanden die behangen zijn met bankbiljetten (Drachmes, geen Euro’s!) een pijl die naar boven wijst.
Oog in oog met Boissonnas
Even later sta ik oog in oog met Frederic Boissonnas en vergaap mij aan zijn prachtige fotocollectie. 
De meeste foto’s dateren van tussen 1903 en 1913, maar ze zijn schitterend. En wat een kwaliteit al! Ik maak van bijna alle prachtige zwart-wit foto’s een plaatje en heb spijt van mijn witte T-shirt, dat helaas nogal opvalt op het niet ontspiegelde glas van de fotolijsten. Je kan niet alles hebben.
Bij het verlaten van de expositieruimte word ik uitgeleide gedaan door de elegante oudere dame die mij de weg heeft gewezen. Ik stel mij voor dat zij misschien wel als klein meisje op de foto’s staat, zo oud is ze.
‘The collection was beautiful’, zeg ik, en ze glimlacht vriendelijk. ‘And so are you’, roep ik er achteraan. Ze maakt een buiging en lacht een perfecte rij plastic tanden bloot. Ik buig terug en wandel in de opperste staat van tevredenheid naar buiten.
Even later zit ik in de zwoele avond achter een ouzo met een bordje mezès, lekkere hartige Griekse hapjes. Het gaat nog even duren voor we gaan eten en ik ben wel toe aan een hapje.
Het is gezellig druk in de stad en iedereen lijkt het naar zijn zin te hebben. De temperatuur is zeer aangenaam, er wordt veel gelachen, gepraat, gegeten en gedronken. Van een land in crisis is hier niets te merken.

Hm, nog een half uur voordat Mirjam de tent kan sluiten. Waar zal ik nog eens een paar foto’s schieten? Ik ben in de buurt van Hotel Cavalieri, een beroemde locatie op Corfu. In de jaren 70 werd hier een deel van de Amerikaanse speelfilm Fedora opgenomen. William Holden, Hildegard Knef, Henry Fonda, Michael York en andere sterren gaven acte de presence in deze film, die voor een groot deel op Corfu afspeelt. Cavalieri is het hotel waar Holden tijdens zijn zoektocht naar Fedora onderdak vindt. Het staat bekend om zijn gammele snoeioude lift en mooie dakterras met zicht over heel Corfu Stad. Daar zou ik nog net wat plaatjes kunnen schieten voor ik Mirjam ophaal.
Ik zet de pas er in, maar hoor dan muziek uit een van de brede winkelstraten komen. Een prachtige stem, begeleid door gitaar trekt onmiddelijk mijn aandacht en ik besluit Cavalieri te laten voor wat het is.
Takis
Ik ga op het geluid af en zie al snel een straatmuzikant die verantwoordelijk is. Gezeten op een kratje begeleid hij zichzelf op gitaar en tikt met zijn in roze gympen gestoken voeten de maat. Hij heeft een wilskrachtige gebruinde kop met veel haar, dat achterop in een knotje gebonden is. Ook zijn kin is ruig behaard. Een aantrekkelijke jongen denk ik, maar ik heb er niet veel verstand van. Maar een stem! Onversterkt is hij toch over grote afstand te horen. En een drama dat er uit spreekt, dat wil je niet weten. Rauw, doorleefd, smartelijk, echt en oprecht geeft hij uiting aan zijn zieleroerselen en gedachten. Hij mishandelt zijn gitaar niet echt, maar sparen doet hij hem ook niet. Hij ramt de akkoorden er uit terwijl hij ongetwijfeld een verloren liefde of tragische relatie bezingt. Prachtig.
Agapi MOUUUUU!
Maar wacht eens, ik heb in @Home, onze favoriete muziektent op Corfu, ooit een Griekse muzikant zien spelen die op mij een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Het zou zo maar eens deze jongen kunnen zijn. Eens vragen als ik de gelegenheid krijg.
Op het hoogtepunt van zijn Griekse tragedie komt er een vadsige straathond op de artiest aankuieren en begint nieuwsgierig zijn gitaarhals te besnuffelen. Dat maakt het musiceren er niet gemakkelijker op, maar bedreven neemt hij deze kleine hindernis en vervolgt zijn levenslied. Dan begint de hond met hem mee te huilen en likt zijn handen onophoudelijk. Dat wordt de muzikant toch ook teveel en middenin zijn song houdt hij het even voor gezien.
Dat geeft mij gelegenheid een praatje met hem te maken en ik vraag Takis want zo heet hij - of hij wel eens in @Home heeft gespeeld. Inderdaad heeft hij daar eens gestaan en het was prachtig. Wat een gelukkig toeval hem hier aan het werk te zien.
Ik vraag hem naar het soort muziek dat hij maakt. Griekse rock, is het antwoord. Ik meende Neil Young invloeden te herkennen en dat klopt, bevestigt hij. Bob Dylan is ook een van zijn favorieten. Maar hij is aan het werk, dus als ik het niet erg vind?
Ik schiet een paar mooie plaatjes van hem terwijl hij met zijn krachtige stem de straten vult. Enkele voorbijgangers blijven even luisteren en sommigen gooien zelfs munten in zijn gitaarkoffer.
Mijn maag begint te knorren en ik bedenk dat het tijd is om Mirjam op te halen. Takis en ik wisselen telefoonnummers uit en ik vervolg mijn weg naar het theater. Daar wacht mijn lief mij op en een kus later wandelen wij hand in hand door 27 graden duisternis naar ons favorestaurantje. De eigenaar, die met vrienden een glaasje drinkt, herkent ons al bij binnenkomst en zegt dat we mogen zitten waar we willen. Even later klinken onze glazen tegen elkaar en toosten we op Corfu. Ons eiland.
Mirjam's bijdrage aan de expositie

dinsdag 16 augustus 2011

Een feest is een feest

Ik pik je om half tien op, dan kunnen we met een auto, zei Alex. Het wordt druk, dus we zullen voor een plekje moeten zoeken.
Ik hing op en keek eens naar de telefoon. Eigenlijk had ik niet zo’n zin om er vanavond weer op uit te gaan. Het was de avond ervoor ook erg gezellig geweest bij vrienden en eigenlijk wilde ik liever wat slaapschuld inlossen. Maar de band, genaamd Perfect Strangers, was volgens Alex beregoed en beter niet te missen. Vooruit dus maar.
Als we arriveren, is het al gezellig druk. Het hele dorpsplein van het kleine kustplaatsje aan de westkant van Corfu is bezet met tafels en stoelen, velen zijn al bezet. Op de plaatsen waar vlees gegrild wordt, stijgen enorme rookwolken op in de inktzwarte nacht. Geduldig draait een vijftal runderen aan het spit terwijl een fors gebouwde Griek met een bezweet voorhoofd en zwaar behaarde armen met behulp van een enorm slagersmes een gegrilde geit in onderdelen hakt. Het water loopt mij in de mond, maar we hebben net gegeten, dus toch maar niet.
Overal op het grote plein zijn mensen druk in gesprek met elkaar. De kinderen hebben elkaar in groten getale opgezocht en achtervolgen elkaar rennend of fietsend. Ze beschieten en beschijnen elkaar met hun zojuist verworven interplanetaire wapens en laserpennen. Ik werp een blik op de speelgoedkraam waar ze hun vernietigingswapens aangeschaft hebben. Het complete assortiment bevat meer siliconen en plastic dan Pamela Anderson in haar topdagen.
Terwijl we staande een biertje drinken, bekijken we het podium waarop een flink uitgebreide drumkit, enkele gitaren, een orgel en een flinke lichtinstallatie staan. Een muur van grote speakers belooft veel goeds. Iets verderop onder de dorpspleinboom zit een knul met een modieus staartje achter een reusachtig mengpaneel. Dit is duidelijk geen schoolbandje wat gaat optreden.
Omdat er bij Odeon, een nieuwe horecagelegenheid aan het plein, een lekkere Kaiser geschonken wordt, besluiten we daar een tafeltje te veroveren. Even later zitten we, gezellig omringd door Grieken, te sabbelen aan het heerlijk hemels goudblond. De muziek die gedraaid wordt, lijkt allemaal uit mijn persoonlijke muziekbibliotheek genomen. Stones, Led Zep, Pink Floyd en hoogtepunt voor mij LA Woman van The Doors. Wat een geweldige muzikale erfenis heb je toch als vijftiger.
Dan komt de band op en even wordt het publiek opgeschrikt door pijnlijk flapperende waffers, tweeters en woofers. Ai, de basgitaar veroorzaakt waarschijnlijk een paar scheuren van formaat in de speakers, maar de geluidstechnicus lost het snel en professioneel op en even later genieten alle aanwezigen van alles wat de Engelse muziek keuken in de jaren 80 produceerde. The Police, Fischer Z, The Cure, Black Sabbath, Dire Straits en anderen. Soms volgt een uitstapje naar Amerikaanse rockbands als Lynyrd Skynyrd (Sweet Home Alabama natuurlijk, doet het altijd goed) en Guns ’n Roses en heel soms een Grieks rocknummer. Kortom een erg gevarieerd programma wat luid, soepel en professioneel de ether in geslingerd wordt.
Naarmate de nacht vordert wordt het steeds drukker, de hele omgeving lijkt uit te lopen voor dit spektakel. De souvlaki boeren blijven de vuren opstoken, de drankverkopers kunnen het soms nauwelijks aan, de terrassen zijn tot de nok gevuld. Grappig te zien is dat, ongeacht de leeftijd van de ons omringende Grieken, iedereen geniet. De allerkleinste jeugd heeft zich massaal voor het podium van de band verzameld en danst dat het een lieve lust is. Maar ook de Griekse old-timers tikken met hun getaande vingers op hun bierfles de maat mee van nummers als Paradise City en Sympathy For The Devil. Pracht gezicht.
De sfeer is gezellig, opgewekt, uitbundig, vrolijk en vriendschappelijk. Geen vechtpartijen, geen strontvervelende dronken tieners en vandalisme, gewoon feest.
Terwijl ik in het holst van de zwoele nacht nip van mijn ouzo, bedenk ik mij dat de Grieken meesters zijn in het feestvieren. Ik bedoel, kom hier nou eens mee in Nederland. Als daar een feestje gegeven wordt voor meer dan drie mensen dan wordt de complete politiemacht van het dorp opgetrommeld om de orde te bewaren. Praat je over een duizendkoppig publiek, wat hier in Giannades op de been is, dan wordt in het beschaafde Nederland de ME ingezet. Met het leger als ruggensteun moeten ze met behulp van rubber kogels, tanks en waterkanonnen zien te voorkomen dat de feestvierders in hun enthousiasme het dorp en de omliggende landerijen met de grond gelijk maken.
Als ik dergelijke verhalen aan Grieken vertel dan kijken ze me hoofdschuddend aan en denken dat ik een grap maak. Als er geprotesteerd of gestaakt moet worden, is het vroeg genoeg om je ongenoegen of onvrede te uiten. Maar een feest is een feest.
Is er dan helemaal geen gezag in wat voor vorm dan ook te zien? Oh ja, hier is ook wel een agent aanwezig hoor. Het is de plaatselijke Bromsnor en hij zit gezellig met zijn vrouw en kleine kinderen op een terrasje en beweegt zijn hoofd deinend op de muziek, ondertussen de blonde haren van zijn slapende jongste dochter zachtjes aaiend.

zaterdag 11 juni 2011

Foxy Lady

Omdat de financiële zaken inmiddels drastisch zijn verbeterd in Huize Mulder, welgelegen aan Odos Spirou Sourianou (we hebben tegenwoordig een straatnaam!), belonen we ons de laatste tijd wat vaker dan voorheen. OK, uit eten is hier niet duur, maar elk briefje van 20 is er een, dus je kijkt wel uit.
Nu we allebei een baantje hebben, kan het wat gemakkelijker. Na een drukke week voor ons beiden besloten we vrijdagavond naar een optreden van de uitstekende bluesband van Roy Kendle te gaan.
Na een heerlijk maal bij Takis Taverna in Gouvia wandelen we op ons gemak naar The Navigator, een druk bezochte bar aldaar.
Het is een drukte van belang als we het terras op stappen. Overal staan mensen, drankje in de hand, gezellig met elkaar te kletsen. Binnen klinkt zachte muziek. We boffen, het is net pauze en de bar is aardig leeg gestroomd. Iedereen staat buiten en ik krijg gelegenheid drankjes voor ons te bestellen terwijl Mirjam binnen een tafeltje weet te bemachtigen.
Ik maak nog even een praatje met Dave Good, de bassist van de band. Ik ken hem nog uit de tijd van @Home, onze muziekstamkroeg. Hij speelde daar regelmatig met zijn band Dirty Water en ik vraag hem hoe het met de band gaat. Die is niet meer, meldt hij. George, de zanger van Dirty Water is, zoals het een popster betaamt, op vrij jonge leeftijd plotseling overleden. Daarom speelt Dave tegenwoordig in de band van Roy. Nou ja, goed voor hem, jammer voor George. Dan excuseert hij zich en hangt zijn gitaar om zijn nek. Hij moet aan het werk.
Even later legt de band, bestaande uit lead gitarist Roy, voornoemde Dave op bas, een uitstekende drummer en een leuke zangeres met een dijk van een stem, een strakke versie van Clapton’s Crossroads op de mat. Het is het begin van een serie heerlijke ouwe bluesrock van The Cream, John Mayall, The Stones en andere giganten.
Na drie kwartier spelen voor een laaiend enthousiast publiek wordt Foxy Lady van Jimi Hendrix ingezet. Een zeer toepasselijk nummer, bedenk ik mij, terwijl ik mijn ogen de hele avond al de kost heb gegeven. Er lopen heel wat aantrekkelijke dames los op Gods Groene Eiland, en hier is momenteel een flinke verzameling aanwezig. Om in te bijten, zijn de meeste.
Bewegend met een souplesse die je niet zou verwachten als je kijkt naar de huidnauwe jeans, dansen ze vol overgave op de harde muziek, het bovengedeelte gehuld in ruimvallende, veelkleurige zomershirtjes waarbij je denkt: hoe blijft het allemaal zitten. En een kop erop! Griekenland mag dan in crisis zijn, het is aan de bezwete, lachende hoofden van de dames niet af te zien.
De mooiste vind ik toch wel een dame die we bij @Home nog wel eens tegen kwamen en door het leven gaat als mevrouw Kendle. Haar vriendelijke gezicht met mooie krullenbos er omheen doet me aan iemand denken, maar aan wie ook alweer? Na lang peinzen weet ik het ineens: ze is een kruising tussen Tori Amos en Cher in haar goede dagen!
Maar niet alleen aan Cher gaat de tijd niet ongemerkt voorbij. Ook wij zijn niet meer in onze twenties. De nieuwe dag is nog geen uur oud als bij ons het verlangen naar een lekker bedje de overhand begint te krijgen. En terwijl de band onvermoeibaar een bluesversie van Nancy Sinatra’s These Boots Are Made For Walking inzet, wringen wij ons door de mensenmassa naar buiten en wandelen door de zwoele nacht naar onze auto. Het is goed rusten na gedane zaken.

zaterdag 23 april 2011

Feest!


Snerpend klinkt het politiefluitje door onze nog maar net ontwaakte hersenen. We worden door een driftig gesticulerende agent gesommeerd rechtsaf te slaan. Alleen de hele vroege vogels (woordspeling. De vrienden waarmee we naar het kruiken smijten gaan kijken, heten Vogels) zijn zo bevoorrecht geweest hun auto in de stad te kunnen parkeren. Wij moeten, samen met de rest, de auto elders zien kwijt te raken. Niet vreemd, als een half miljoen mensen zich aangetrokken voelen tot het grootste spektakel van het jaar op Corfu.
Kruiken smijten? Yep, eens per jaar, en wel op de laatste zaterdag van Pasen, worden er op het hele eiland op die speciale zaterdagochtend kruiken naar beneden gegooid. Laatste zaterdag van Pasen, kruiken kapot gooien? Even uitleggen.
De inwoners van Corfu zijn gek op feesten. En als ze een feestje bouwen dan doen ze dat goed. Het toppunt van het jaar is altijd het Paasfeest. Daar trekken de Grieken gewoon ruim een week voor uit. Al moet er eigenlijk gesteld worden dat ze veertig dagen eerder al beginnen met de Vasten, de voorloper van het Grote Feest. Ook dat wordt feestelijk ingeluid en smakelijk gevierd. In de tussentijdse periode zijn alweer enkele kleinere vierinkjes geweest. Maar met Pasen wordt alles, maar dan ook alles uit de kast gehaald. Zelfs de beschermheilige van het eiland, Sint Spyridon (waar de helft van de eilanders naar vernoemd is) wordt van stal gehaald en op de zaterdag voor Pasen voor de ogen van tienduizenden door de stad gesjouwd. Niemand wordt vergeten, ook de bejaarden niet.
Na deze processie is de stad inmiddels volgelopen met mensen in aantal variërend tussen 250.000 tot een half miljoen. Van over de hele wereld komen Grieken en toeristen om dit mee te maken. In economisch betere tijden waren er soms een miljoen mensen op het eiland, heb ik eens gelezen.
Inmiddels moet dus duidelijk zijn dat wij de auto niet meer in de stad kunnen parkeren. Gelukkig weten wij de nodig plekjes en routes in de omgeving en even later parkeren wij aan een heel rustig weggetje, een half uurtje lopen van het centrum.
Onderweg smikkelen we voor Corfu Palace Hotel op het gemak een lekker appelbroodje en zien we al dat het weer heel druk zal zijn. Honderden uitgelaten en vrolijke mensen passeren ons, allemaal in gespannen verwachting.
Even later storten wij ons ook in het feestgewoel. Het is inderdaad gigantisch druk op en om de Espianade, de grootste avenue van Corfu. We besluiten deze keer niet aan de Espianade te blijven, maar ons in de ingewanden van de stad te begeven. Schouder aan schouder wringen we ons door de mensenmassa, op zoek naar een strategisch plekje.
Het is vreselijk druk in de nauwe straatjes, maar niemand is vervelend of brutaal. Ook zwangere vrouwen en dames met kinderwagentjes begeven zich hortend en stotend door de menigte. Het is ons al eerder opgevallen, en ook deze keer ontbreekt het niet: een gevoel van warmte en kameraadschap onder de mensen. Het is feest voor alle mensen. Iedereen lacht en is vriendelijk. Ondanks de gigantische drukte klinkt er geen onvertogen woord. Raddraaiers bevinden zich niet in de menigte.
We worden getriggerd door hoempageluiden die boven het geluid van de mensenzee uitkomen. Even krijgen we de kans om van een afstandje een van de vele korpsen van Corfu glimmend en glinsterend voorbij te zien trekken. Corfu kent een flink aantal korpsen, bezet met trotse Corfioten van klein tot groot en jong tot oud. Allemaal hetzelfde kleurige pak aan. De revers natuurlijk rijkelijk behangen met gouden galons en op de schouders kleurige epauletten. Ook de glimmend gepoetste helmen ontbreken niet en iedere muzikant loopt strak in de pas. Als het moet dan kunnen ook Grieken zeer gedisciplineerd zijn, blijkt maar weer.
Dan wordt het tijd om een plaatsje te bemachtigen, het is inmiddels half elf geweest. Binnen een half uur zal het spektakel losbarsten. Ah, voor de winkelpui van een van de 350 juweliers die Corfu Stad kent vinden we, onder de overkapping gelukkig, een mooi plekje.
In drommen schuiven de mensen, waaronder toch wel heel wat als toerist vermomd zijn, voorbij. Omdat we ons vlakbij Guilfordstreet bevinden, besluit ik een gokje te wagen en te kijken of ik in een van de portieken daar kan komen om wat plaatjes van bovenaf te maken. Na tien minuten schuifelen en stilstaan, ben ik eindelijk aan de overkant van de straat geraakt en zie dat het raam van waaruit ik mooi kiekjes kan maken, zwaar overbezet is. Maar ik ben er nu toch en gok op de medewerking van de Grieken. Na de twee trappen omhoog beklommen te hebben, zie ik een flinke concentratie jeugdige Grieken samengeklonterd voor het grote raam. Zachtjes vraag ik of het goed is dat ik een paar foto’s maak. Als de rode zee voor Mozes opent de groep zich en maakt ruim baan voor de fotograaf. Wat een camera met een flinke toeter al niet doet.
Van bovenaf is goed te zien wat een drukte het is in de smalle straten, uitlopend naar de veel ruimere Espianade. Te midden van de woelige mensenzee staat een zigeunerin met een handkar met kleurig geverfde potten en kruiken. Het baksel gaat grif van de hand en ze doet beste zaken. Merkwaardig idee dat tientallen mensen hier vijf euro voor een kruikje betalen en dat een paar minuten later stuk gooien. Maar goed, elke zot zijn marot.
Op tijd ben ik weer terug onder de veilige luifel en heb nog even tijd om de overburige panden in me op te nemen. Overal hangen felrode doeken uit de ramen, meestal ten teken dat van daaruit met kruiken gesmeten gaat worden. Wat duidelijk mag zijn, op veel van de doeken staan de nodige kruiken en kruikjes al te wachten op hun droeve lot. Achter de kleiwaar staan, ongeduldig, de personen die het spul naar beneden zullen kieperen. Jonge, vrolijk lachende Corfioten die nauwelijks kunnen wachten om het feest te laten beginnen.
De juwelier voor wiens zaak wij staan, een besnorde Griek met een vriendelijke uitstraling, komt bij ons staan. Niet om ons te vragen op te zouten omdat we zijn deuropening en etalage in beslag nemen, maar om wat kruikjes en ander aardewerk uit te delen aan de dames in ons gezelschap. Het moet wel kapot, drukt hij de meiden op het hart.
Dan worden de eerste plonzen water naar beneden gegooid, als een waarschuwing dat het feest zo gaat beginnen. Geen sirene, geen radiowagen of de staatstelevisie die waarschuwt voor onheil, een scheutje water volstaat. Krijg je water op je kop dan weet je dat het nog maar even duurt alvorens de kruik waar het in zat, volgt. De mensen die zich nog op het open gedeelte van de straat bevinden, zoeken snel een veilig heenkomen.
Het is een vreemd gezicht, de bomvolle straten met honderden mensen om ons heen, met de totaal verlaten middengedeelten. Iedereen dromt samen onder de luifels en overkappingen van de winkels, alsof er een enorm noodweer dreigt. Dat idee klopt ook wel.
Dan slaan de eerste kruiken te pletter op het gladde witte plaveisel, gevolgd door een regen van ander pottenbakkerswerk. Een scherf vliegt tegen mijn scheen, dus helemaal veilig ben je niet. Gelukkig heb ik mijn lange broek aan. Ik heb van een bevriende Griek verhalen gehoord over talloze gewonden die met hevig bloedende hoofd- en snijwonden in gereed staande ziekenauto’s afgevoerd werden. Hier valt het alles mee, iedereen is blij en tevreden.
Als het ergste spervuur afneemt, durven de eersten van de samengeklitte mensen voorzichtig hun hoofd vanonder de luifels te steken. Langzaam krijgen we de gelegenheid de enorme puinhoop te overzien. De hele straat is bezaaid met potscherven en aardewerk. Bizar. De eerste verzamelaars van scherven buigen al voorover en beginnen scherven in hun plastic zakken te stoppen. Ze doen nog het meest denken aan kippen die gevoerd worden.
Toch is het spektakel nog niet helemaal voorbij. Twintig meter verderop, waar onze straat samenkomt met de Espianade, klinkt luid gejoel, gevolgd door een doffe dreun. Ah, daar gaan de echt zware jongens uit het raam. Kruiken van pakbeet vijftig tot honderd liter, tot de nok gevuld met water, worden met vereende krachten van de wankele balkons gekukeld. De donderende klap die dat geeft is indrukwekkend. Daarom is de Espianade altijd het drukst bezocht, de Grieken vinden het prachtig. De ene kruik is nog groter dan de ander. Vaak worden ze mooi beschilderd, gevuld en te pletter gegooid. Wie de grootste kruik naar beneden gooit, zal het meeste geluk ervaren dat jaar. Dat staat nog maar te bezien.
Na een afsluitende ouzo met mezès (Griekse tapas) bij Olympia, gelegen aan de met scherven bezaaide Espianade, wandelen we onder een heerlijk zonnetje terug naar de auto. We snijden een flinke omweg af door via de grote begraafplaats naast het vliegveld over te steken. Een groter contrast tussen leven en dood kan in mijn optiek niet bestaan.

dinsdag 5 april 2011

Grieken (2)

Mirjam heeft een afspraak met een vriendin in de stad en omdat ik ontdekt heb dat er in die buurt een hoop moois is te fotograferen, besluiten we een en ander te combineren. Nadat ik haar heb afgezet rijd ik naar de Baai van Garitsa en parkeer de auto.
In een wandelgids over Corfu heb ik gelezen dat er een aantal leuke bezienswaardigheden te bewonderen zijn in de richting van Kanoni. Gewapend met mijn fotouitrusting begeef ik me op weg. Het zonnetje schijnt, het is gezellig druk langs de baai en ik voel me prima op mijn eilandje.
Na het oude fort en de Espianade van deze kant van de baai gefotografeerd te hebben, wandel ik door een oude buurt die vergeven is van de restaurantjes, taverna’s en kleine buurtwinkeltjes. Het is altijd goed vertoeven in zulke buurten, want het gaat er nog allemaal zo gemoedelijk aan toe. Veel mensen begroeten elkaar, maken een praatje, zitten voor hun huisje of op een terras en nemen het leven zoals het op ze af komt.
Ik wandel langs een bakkerijtje waar behalve een ijsvitrine ook twee stoeltjes en een tafeltje voor staan. Op een van de stoelen zit een bejaarde Griek en ik groet hem. Hij beantwoordt mijn groet vriendelijk en ik vraag hem of ik een foto mag maken. Zoals ik dat inmiddels al gewend ben, staat hij op en begint zijn kleding te schikken, kamt zijn snor en zet zijn sportpet recht. Ik vraag hem weer te gaan zitten en maak een paar kiekjes, waarbij hij telkens strak in de lens kijkt. Ik laat hem een foto van zichzelf zien op de achterkant van de camera en hij kijkt hoogst verbaasd. Thora (Nu?)?, zegt hij. Ik begrijp dat hij het niet snapt. In zijn tijd werden foto’s gemaakt met een camera ter grootte van een verhuisdoos. De man die op de knop drukte bevond zich veiligheidshalve onder een vuurvast laken en stak ondertussen de brand in een hoop magnesium dat een steekvlam veroorzaakte die niet onderdeed voor een atoomexplosie. Tegen de tijd dat de plaatjes eenmaal uit de ontwikkelcentrale kwamen, waren de slachtoffers net van de ergste brandwonden bekomen en zagen zichzelf terug op papier met een dodelijk verschrikte blik in de camera staren. Zo ging dat toen hij jonger was en nu ineens ontdekte hij dat de tijd niet stilgestaan had.
Dimitri!, schreeuwt hij. Neh (Ja), hoor ik uit de bakkerij komen. De oude man brabbelt wat en de eigenaar van de winkel verschijnt in de deuropening. Of ik wat wil drinken. Ik zeg dat ik geen geld bij me heb, maar hij zegt dat de oude man mij wat aanbiedt. Het is onbeleefd om een dergelijke vriendelijke geste te weigeren en dus zeg ik dat ik wel een biertje lust. Even later zit ik achter een lekkere Mythos. Ik bedank hem hartelijk en we praten wat met elkaar, voor zover mijn Grieks dat toelaat. Ik weet hem duidelijk te maken dat ik uit Nederland kom en inmiddels twee jaar op Corfu woon.
Ah, nou, hij heeft in Korea gevochten (hij roept Bam bam bam, terwijl hij met zijn gestrekte wijsvinger een pistool imiteert) en heeft daarna in Duitsland, Frankrijk en Brussel gezeten. Oxi Ollandia (niet in Holland)?, vraag ik. Oxi Ollandia.
Ik vraag hem hoe hij heet, een van de tien Griekse zinnetjes die ik ken. Babis, antwoordt hij vol trots. Ik vertel hem mijn naam. Hij schudt mij hartelijk en stevig de hand.
Taainagel Babis
Hij vertelt dat hij al 88 jaar oud is. Dat had ik hem niet gegeven. Ik neem nog een slok van mijn bier en zeg hem dat ik het lekker vind. Hij brabbelt iets dat ik niet begrijp. Ik spui een van mijn andere tien Griekse zinnen: Den milao Ellenika (Ik spreek geen Grieks). Hij weert mijn excuus af en roept luid en duidelijk voor de hele straat hoorbaar: Mitri! De bakker verschijnt weer in de deuropening. De oude baas blaft een commando en even later zet de uitbater een schaaltje met blokken feta en stukken worst voor me op tafel. Ik waarschuw hem dat ik oxi lepta (geen geld) bij me heb. Hij klopt op zijn portemonnee en zegt: Bravo. Kala bravo. Oftewel dat zit wel goed, heel goed zelfs.
Weer schreeuwt hij de bakker iets toe. Even later wordt een stapeltje servetten bij het bord neergelegd.
Terwijl hij voor zich uit staart, wil ik een foto van hem en profiel maken. Dat heeft hij helaas snel in de gaten en hij staart recht in de camera, met een ernstige blik die je wel ziet bij mensen die bij de dokter op de uitslag van hun aidstest wachten. Omdat en profiel er vandaag niet in zit, besluit ik hem dan maar en face op de kiek te zetten en vraag hem naast het bord van de supermarkt te posteren. Na weer het ‘zit me jasje goed, zit me dasje goed’ klik ik enkele plaatjes, allen met dezelfde serieuze blik. Heerlijke mensen.
Ik leeg mijn fles terwijl hij uit een plastic zak een aantal enorme aardbeien opdiept en die voor me neerlegt. Zo zie je ze alleen in reclamefolders, nadat ze flink ge-Photoshopt zijn. Ik laat mij de lekkernij smaken. File mou, pame (we gaan er vandoor, vriend), zeg ik tegen Babis. Hij staat op en we schudden elkaar weer stevig de hand. Dan vervolg ik mijn weg weer. Mijn oude vriend start een conversatie met een andere Griek die blijkbaar is komen aanwaaien. Halverwege de straat hoor ik hem nog. Fantastisch eiland, Corfu.

woensdag 23 maart 2011

Grieken



Vrijdagavond ben ik met goede vriend Erris naar het Kaffeneio van Nissaki geweest. Kaffe-wat? Een kaffeneio is een uiterst sober ingericht (sommigen zeggen obscuur) lokaaltje waar Griekse mannen, het liefst de hele dag, met elkaar de wereldproblemen in het algemeen en die van Corfu in het bijzonder bespreken. Zoals de naam doet vermoeden, kan je er een bak koffie kopen. Maar ook spraakwater als ouzo, tsipouro, whisky en wijn zijn er ongelimiteerd en op elk moment van de dag verkrijgbaar.
We hebben daar een ontmoeting met Alekos Damaskinos, een gezamenlijke Griekse vriend. Ik ben momenteel bezig voor mijn website www.green-island.nl een verhaal over Grieken te schrijven en Alekos is een markante verschijning die mooi als kapstok kan dienen om het verhaal aan op te hangen.
Ik heb hem verteld dat als hij toestemt in een gesprek, hij het onderwerp – of moet ik zeggen: lijdend voorwerp – van een verhaal voor de website wordt. Dat deert hem niet in het minst. Gekker nog, hij is zeer vereerd.
We nemen plaats op de plastic kuipstoeltjes in het Kaffeneio en laten ons door Mitsos, de eigenaar, inschenken: Erris een kleine Amstel, Alekos een grote en ik een ouzo. De oorzaak van mijn bezoek begint te vertellen.

Alekos is een bijzondere inwoner van Corfu. Het gros van de Corfioten is nooit van het eiland af geweest. ik jok niet als ik zeg dat heel veel oudere Grieken hun dorp slechts zelden verlaten. Alekos is daar een uitzondering op. Hij heeft over de hele wereld gezworven en heeft zich altijd moeiteloos aan de plaatselijke omstandigheden weten aan te passen.
In 1966, op de jonge leeftijd van achttien jaar, kiest hij het ruime sop en laat zijn geboortegrond op Corfu achter. Na wat omzwervingen spoelt hij aan wal in Zuid Afrika en gaat naar de universiteit van Kaapstad. Tijdens zijn studie mathematica – Alekos is officieel professor in de wiskunde – heeft hij allerlei baantjes om de kost te verdienen en zijn studie te betalen. Zo was hij medewerker op een sinaasappelfarm, die in Zuid-Afrika merkwaardig genoeg lemon genoemd worden. Een citroen daarentegen luistert naar de naam zuurlemon, wat te billijken is.
Zijn salaris bestond uit wijn. Wellicht gold toen in Zuid-Afrika het antieke principe van ruilhandel, wat het mogelijk maakte dat hij met wijn de huur en andere rekeningen kon betalen. Geld is tenslotte ook niets anders dan een ruilmiddel. Net zoals zout dat ooit was. Nog steeds gebruiken wij daar een afgeleide van, namelijk salaris (Sal = zout).
In 1975 heeft de overheid hem in donker Afrika weten op te sporen en hij moet in dienst. Hij keert terug naar Corfu, kust zijn familie gedag en dient een aantal jaren in het Griekse leger. Als hij ruim twee jaar later zijn dienstplicht heeft voldaan, vertrekt hij spoorslags naar Schotland. Hij schrijft zich in voor de universiteit van Edinghburg, een van de meest prestigieuze universiteiten van het Verenigd Koninkrijk. Hij wordt aangenomen en stort zich met hernieuwde energie op zijn studie. Om in zijn onderhoud te voorzien ontpopt hij zich als een uitstekend grafdelver en drager tijdens begrafenissen. Toch blijkt het niet zijn ambitie om tot zijn pensioen gaten te graven en die kort daarna weer dicht te storten en hij behaalt zijn professoraat mathematica.
Wat doe je dan? Juist, je scheert je en dan trouw je en zo ook dus Alekos. Hij trouwt met Anna, een resolute Ierse tante. Een grote fout, maakt hij omslachtig duidelijk met weidse gebaren. Om de onrust bij hem te verdrijven, bestellen we nog een rondje van hetzelfde.
Na een paar flinke slokken is hij weer in staat zijn levensverhaal te vervolgen.


Er rust geen zegen op het huwelijk. Vooral op religieus gebied wringt de schoen. Hij is Grieks orthodox, zij is een ras katholiek en dat zorgt voor veel wrijving. De toenmalige paus moest er aan te pas komen om uit te maken dat Alekos zich maar moest bekeren tot het katholieke geloof. Ondanks zijn bereidheid hiertoe gingen de echtelieden na zeven ongelukkige jaren uiteen.
Hij vestigt zich in een gehucht even buiten Londen en geeft daar les. Maar omdat een man met verantwoordelijkheden toch ook recht op ontspanning heeft begeeft hij zich op gezette tijden naar een tapperij in de omgeving van Londen. Hij vertelt een mooi avontuur dat hij in die jaren meemaakte.
Eens was hij, gezeten op een barkruk, in gesprek geraakt met een Engelsman die zich ook in die drankgelegenheid bevond. Omdat ze beiden gevaren hadden, waren er veel gemeenschappelijke interesses en al spoedig ontstond er een vriendschappelijk band onder de beide drinkers. Naarmate de avond vergleed in de nacht en de drank rijkelijk vloeide, voelde Alekos op een gegeven moment de behoefte om naar huis te gaan en gaf uiting aan dit verlangen. Zijn nieuwe vriend vroeg waar hij woonde en Alekos legde uit waar hij naar toe moest. Kwam dat even goed uit, zijn maat moest diezelfde kant op en kon hem wel even langs brengen. En dus wankelden beiden in de opperste staat van geluk en vriendschap naar buiten, de frisse nachtlucht in.
De nieuw opgedane drankmaat van Alekos wist tot zijn niet geringe verbazing blijkbaar niet meer wat zijn auto was, want hij onderzocht alle geparkeerd staande auto’s op toegankelijkheid door aan de deurgreep te voelen. Bij een Range Rover ging het portier open en hij nam plaats achter het stuur. Vervelend genoeg was hij echter ook zijn sleutels vergeten en hij vroeg Alekos of die wist hoe een motor te starten zonder contactsleutel. Dat wist Alekos wel en na onder de motorkap de juiste draden geconnecteerd te hebben, liep de motor als een zonnetje.
Gelijk op dat moment werd het tweetal door een aantal schijnwerpers in het zonnetje gezet en verschenen uit allerlei hoeken en andere onvermoede schuilplaatsen politieagenten, die het duo oppakte en in de gevangenis stopte op beschuldiging van autodiefstal.
Pas toen bleek dat de nieuw verworven vriend van Alekos een notoire autodief was, die op deze manier een indrukwekkend politie dossier opgebouwd had. Alekos, die naar eer en geweten kon vertellen dat hij er niets mee te maken had, werd in eerste instantie niet geloofd en bracht de nacht in de cel door. De volgende ochtend werd hij na verhoor vrijgelaten, na betaling van een boete van tachtig pond, wat in die dagen een flink bedrag was.

Tegenwoordig woont Alekos weer op Corfu en geeft Griekse les aan buitenlanders. Vanwege zijn mondiale avonturen spreekt hij vloeiend Engels en is dus uitstekend in staat de finesses en valkuilen van de Griekse taal uit te leggen aan zijn cursisten. Als zijn drukke bezigheden het toestaan begeeft hij zich regelmatig naar de lokale tapperij, waar hij vrienden en passanten boeit met zijn verhalen en wijsheden over vrouwen, carrière, successen en mislukkingen.
Ik vraag hem een aantal typisch Corfiotische gebaren te demonstreren en welwillend toont hij de verschillende expressies die we zo vaak onder de eilanders tegenkomen. Ondanks zijn geleerdheid is hij een eenvoudig mens gebleven.
Na een laatste toast, de bodem van het ene glas raakt het andere glas in het midden waarna deze procedure door de ander herhaald wordt, legen we onze glazen en verlaten Erris en ik de sobere ruimte. Alekos blijft zitten. Zijn aanwezigheid is daar dringend vereist.

zaterdag 8 januari 2011

De strijd om het bestaan

Gek is dat: je gaat iets doen waar je enorm zin in hebt en toch denk je ’s ochtends, als de wekker gaat, ik kom mijn nest niet uit. Bekijk het maar!
Ik heb er spijt van dat ik vrijdagavond met Antonios heb afgesproken om hem de volgende dag te vergezellen bij het legen van zijn netten. Tijdens de zomer heeft hij het voor dergelijke bezigheden veel te druk met rondvaarten langs de oostkust van Corfu. Tijdens de winter heeft hij er, wegens een chronisch gebrek aan toeristen, echter alle tijd van de wereld voor. En dus kwam hij afgelopen week even een praatje maken en vroeg of ik weer eens zin had om mee te gaan. Op zo’n moment zie ik alleen de enorme vissen die zich verdringen in de netten en denk ik helemaal niet aan het vroege tijdstip om op te staan.

Ik steek mijn neus boven de deken en draai me direct nog een keer om. Koud! Of is het onder die deken zo warm? Feit is dat in de winter de nachten op Corfu best fris zijn. Niet heel veel onder nul of zo, maar gewoon waterig koud. Zo ook nu. Ik ga in de foetushouding liggen, kop onder de deken. Veilig en geborgen als in de baarmoeder, voel ik me in de warmte en de duisternis.
Maar, afspraak is afspraak, dus gooi ik ineens de dekens van me af en zwaai het eerste been uit bed. Brrr. Ik bibber vanuit de baarmoeder rechtstreeks naar de badkamer.

Als eerste arriveer ik in de haven van Pirgi. Die Antonios, meestal ben ik de laatste. Het geeft mij de gelegenheid even het haventje te ronden. Het mag de naam ‘haven’ eigenlijk niet dragen. Een puist beton in een vierkant gestort, met in het midden ruimte voor een dertigtal bootjes. Op zijn Grieks natuurlijk, dus overal steekt het betonijzer nog naar buiten. Ik kan me zo voorstellen dat menig visser, door armen vol netten en andere visattributen het zicht op zijn onderdanen ontnomen, met de volle porrie op zijn smoel gaat omdat hij blijft haken achter een uitstekend (niet in de zin van goed, eminent) stuk staal. Dat zou ik eigenlijk wel eens mee willen maken, terwijl ik net sta te filmen of zo. YouTube, here I come!
Ik vind een prachtig hoorntje, zoals mijn moeder dat vroeger placht te noemen, en besluit het mee te nemen voor Mirjam. De dag kan al niet meer stuk, de eerste schat is al binnen.
Ah, daar komt Antonios al aan in zijn vooroorlogse Daihatsu Zebra. Rammelend in alle hoeken en gaten die het foeilelijke wagentje rijk is, geen druppel lak meer, verwoest aan binnen- en buitenkant. Ik verdenk het ding ervan dat het ooit nog eens bestuurd is door Hirohito, de Japanse keizer ten tijde van de tweede wereldoorlog. Maar het monster rijdt nog steeds. Ongelofelijk. Je reinste reclame voor Daihatsu.

Als we even later op zee zijn aan de schitterende oostkant van Corfu, op weg naar het eerste net, zien we al dat het een schitterende dag gaat worden. De temperatuur wordt heel aangenaam dankzij de klimmende zon die zich op dit vroege tijdstip al van haar beste laat kant zien. Daar omheen een strakblauwe hemel, met als ondergrond de zee als een biljartlaken. Oostelijk Corfu is schitterend vanaf zee gezien, lui!
Het hoog gelegen Spartillas ligt als een lieflijk Faller dorpje te koesteren tegen de berghelling. Meer op de voorgrond treden de prachtig gesitueerde villa’s en landhuizen met luxe muren aan de kust van Agios Markos en Barbati. Dat alles omgeven door die prachtige groene muur die Corfu zo kenmerkt. Schilderachtige Bountystranden vormen de natuurlijke overgang tussen land en water. En onder ons dat ongelofelijk heldere water van de Ionische Zee! Variërend van smaragd tot saffier, turkoois, briljant, kobalt, parelmoer en alle andere edelsteenkleuren die je maar kent. Ik kan er uren naar kijken, met de gedachte dat de grootste monsters, maar ook de meest elegante vissoorten zich daarin ophouden. Ik ben heel benieuwd welke schatten de Ionische Zee vandaag allemaal gaat prijsgeven.
Maybe just happy? (Dumb), neurie ik met Kurt Cobain (Nirvana) mee, terwijl ik de opkomende zon recht in het gezicht kijk. Snuivend inhaleer ik de zilte zeelucht. This is life! Ik ben zelfs zo gelukkig dat ik besluit het te vieren door een bak koffie te scoren. Ik heb een pot gezet en heb Antonios gevraagd plastic cups mee te nemen.
Ik houd de koffiekan omhoog en vraag hem of hij ook een bak troost wil. Yes, dat wil hij wel. ‘The cups?’, vraag ik hem, en maak een drinkgebaar. Ah, the cups? Uit zijn jaszak haalt hij een verfrommeld piepschuim bekertje dat ernstig door de ratten is aangevreten. Een helft is grotendeels verdwenen, wat wel erg artistiek staat. Waarschijnlijk heeft hij het ding in een grijs verleden ooit eens gebruikt om wat overtollige olie uit het ruim te scheppen, want de randen van het geschonden bekertje zijn net zo fris als die van een tien jaar oude aangekoekte friteuse in een studentenhuis. Daar word Rob niet vrolijk van, zou de Smaakpolitie zeggen.
Maar ach, vissers zijn tijdens de uitoefening van hun beroep misschien niet helemaal zuiver op de graat, dus ik schenk Antonios in. Meer dan halfvol kan niet vanwege de ontbrekende achterkant (of voorkant, ligt eraan van welke kant je het bekijkt), dus we hebben genoeg voor de hele dag.
Ik hoop dat hij zijn tanden gepoetst heeft, want we moeten het groezelige bekertje nog delen ook. Met maar een bestaande helft om van te drinken, moet ik zijn helft wel kiezen.

De eerste boei komt in zicht. Binnen enkele momenten gaat de Ionische Zee weer geheimen prijsgeven, realiseer ik mij. Met een vloeiende beweging gaffelt Antonios de boei binnenboord, haalt de startlijn binnen tot het eerste gedeelte van het net bovenkomt. Dat drapeert hij met een vloeiende beweging om de netkatrol en start de motor. Langzaam komen de eerste meters van het (kilometer!) lange net boven. Zoals te verwachten vertoont het eerste gedeelte geen leven, maar dan zie ik wat kleur in het net omhoog komen! Een octopus zit totaal verstrengeld in het net. Ja, zie daar maar eens uit te komen. Dat is onbegonnen werk voor de achtarm. Voor Antonios is het slechts een kwestie van een paar seconden. Met een flitsende beweging van zijn mes wordt het dier uit zijn lijden verlost en even later ligt de eerste vangst van de dag trots in de emmer. Dat belooft wat!
En verder gaat het weer met binnenhalen. Vakkundig en snel wordt het net opgetakeld door de lier, terwijl het geoefend oog van Antonios ziet of er iets eetbaars tussen zit. Ik kijk ondertussen in het glasheldere water beneden ons of ik wat levends zie glimmen in het net wat omhoog getakeld word. Dan meen ik wat te zien, zwart, wit en lang. Het volgende moment spartelt er aan dek iets driftig in het rond. Ik denk dat het een driekwart meter paling is, maar Antonios blijft met zijn handen verre van de mooie vangst. ‘Snake!’, waarschuwt hij, ‘Stay there!’. Woest stampend met zijn grote schoenen probeert hij de zeeslang op de kop te trappen. Het arme beest is daar begrijpelijkerwijs niet van gediend en probeert al glibberend en glijdend buiten bereik van de dreunende maat 45 te blijven.
Het is een mooi spektakel, om van een afstandje te bekijken. Predator and pray, live in action. De driftig stampende Antonios doet me nog het meest aan een Indiaan denken die een ronde om een totempaal danst, hopend zo regen te bewerkstelligen. Het kan niet anders of hij moet het ongelukkige beest een paar keer geraakt hebben, maar toch gaat de slang nog steeds als een dolle tekeer over het dek. Ik bereken mijn kansen als hij mijn kant op komt. Gezien de wilde pogingen van de ervaren Antonios om het beest te doden, is serieuze attentie vereist.
Dan grijpt Antonios zijn mes en probeert de hevig kronkelende slang door de kop te steken. Het mag dan wel geen paling zijn, glad is het beest wel. Telkens weet hij de wilde steken van Antonios dodelijke mes te ontwijken, of het moet hem niet deren als hij een mes door zijn kop heen krijgt.
Dan zet Antonios zwaarder geschut in: de gaffel. Duidelijk is te merken dat de slang het zat wordt om alle aanslagen op zijn leven af te weren. De arme donder krijgt een paar venijnige meppen met de roestige maar vlijmscherpe haak van de gaf te verwerken.
Uiteindelijk wint de mens het, zoals zo vaak. Ik vind het jammer voor de slang, het dier heeft zich kranig verweerd. Met een laatste siddering door zijn lange lijf geeft hij zijn nederlaag toe. Maar ik ben toch wel blij dat Antonios niet in paniek overboord is gesprongen en ik alleen met het giftige reptiel achterbleef op het kleine bootje.
Nadat Antonios is uitgehijgd, gaat hij verder met het binnenhalen van het net. Ik zie hem hopen dat niet de hele familie van de zeeslang zich in zijn net bevindt.

Over de rest van de vangst kan ik kort zijn. Na een hoopvol begin kwam al heel snel de klad er in. Het tweede net bevatte, behalve wat zeegras en een verdwaalde kokkel, niets. het derde net kwam boven met enkele visjes die in een postzegelverzameling niet zouden misstaan qua kleurrijkheid, patroon en formaat en dat was de trotse vangst van de dag. Niet genoeg om voor naar de stad te rijden en het daar te verkopen aan een marktkoopman. Wel genoeg om zelf een lekker maaltje te bereiden.
Als ik in de plastic emmer kijk en de opbrengst van veel zwoegen en zweten zie, moet ik denken aan de spreuk die ik las op de Borndiep, Kapitein Kees’ sportvisboot in Den Helder: Het is wel altijd visdag, maar niet altijd vangdag.