Green Island Blog

Posts tonen met het label Corfu Griekenland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Corfu Griekenland. Alle posts tonen

dinsdag 8 september 2015

Gelukzoeker (3)

Ik hoef alleen maar op het geluid af te gaan. Druk pratende mannen, die hun redenatie kracht bij zetten door het volume van hun stem te verhogen. Vanuit het felle licht begeef ik mij in de donkere ruimte van het plaatselijke praathuis, ook wel kafèneion genoemd. Even later zit ik aan de bar van de kleine eetgelegenheid annex koffiehuis. Een heerlijk beslagen glas ijskoud water staat voor mij, daarnaast een tsipouro. Het water giet ik gulzig naar binnen, met het vuurwater doe ik iets rustiger aan.
Wanneer mijn waterhuishouding weer een beetje op orde is, heb ik gelegenheid de overige aanwezigen in mij op te nemen. Behalve de barman zitten er vier mannen rond een tafeltje te kaarten (Beriba). Een man met een gebit als een fietsenrek slaakt een luide kreet wanneer hij triomfantelijk een paar kaarten op tafel smijt. Zijn maat tegenover hem ziet het goedkeurend aan. Zijn tegenstanders links en rechts van hem kijken zorgelijk op hun eigen kaarten. Naarmate ik het spel volg, doet het mij denken aan Jokeren.
Het strijdtafereel wordt bekeken door een forse vijftiger in een camouflageshirt en met een dikke grijze haardos en een vriendelijke gezicht. Aan een tafeltje in de andere hoek zit een dikke man voortdurend naar zijn mobieltje te staren en zo nu en dan te bellen. Op zijn tafeltje een fles Amstel, een mobieltje, een pakje sigaretten en een aansteker. De standaard uitrusting van een Griek die naar het café gaat.

Ik vraag de heren of het goed is dat ik een een kiekje van ze maak. Dat vinden ze goed. Als ik ze maar niet stoor, maken ze met gebaren duidelijk. Nee hoor, laat mij kieken en je hebt geen kind aan me. Terwijl ik plaatjes maak, vraagt een van de kaarters waar ik vandaan kom. ‘Ollandía’, vertel ik hem. Ben ik even blij dat ik niet in Duitsland geboren ben. Anders had ik mijn afkomst moeten verloochenen.
‘Dijsselbloem, Dijsselbloem!’, roept het hele gezelschap in koor, om mij bij de les te houden. Ik hef mijn handen op in een verontschuldigend gebaar. ‘I do apologise for some of my fellow countrymen’, lach ik. Dat valt in goede aarde, merk ik.
‘He is only doing his job’, vergoelijkt de man in het camouflageshirt, terwijl de anderen weer driftig verder gaan met hun kaarten stuk smijten.
‘He does what aunty Angela tells him to do’, zeg ik. Zo denk ik er nu eenmaal over.
Het hele gezelschap barst in lachen uit. ‘Give this man another tsipouro on me!’, draagt het camouflageshirt de barkeeper op.
‘Why?’, vraag ik.
‘Because I respect you’, antwoordt hij. ‘You are a decent person’. Die moet ik onthouden!
Als ik me omdraai naar de bar, is mijn glas weer vol. Effe opletten nu, ik moet nog wel naar huis zien te komen. Dat is voor mij al moeilijk genoeg als ik mijn TomTom genaamd Mirjam niet naast me heb zitten.
Rambo verlaat zijn plek naast de kaarters en komt bij me aan de bar zitten. We schudden handen, stellen ons voor. Hij blijkt Arseni te heten, de barman heet Makis. De kaarters hebben geen tijd voor dergelijke plichtplegingen, kaarten stug door.
Arseni vertelt over zijn leven als broeder in een gekkenhuis, netjes Mental Institution geheten. Ondanks zijn drukke bestaan heeft hij zijn vlees toch vermeerderd, te weten twee studerende zoons en een dochter van zes. Ik vraag hem of hij de film One flew over the cuckoos nest kent. ‘Ah, Jack Nicholson!’, roept hij. Hij knikt goedkeurend.
Makis de barman is direct getriggerd. Voordat hij naar Corfu kwam, was hij filmdraaier bij een van de grootste bioscopen van Athene. Tot die in 2012 in vlammen op ging tijdens de gewelddadige opstand tegen de toenmalige regering. Toen vond Makis de tijd rijp om met vrouw en kinderen naar veiliger oorden te verkassen. Het werd Corfu, de geboorteplaats van zijn vrouw.
Ik voel me zo one of the boys dat ik aan Makis vraag of het gepast is om een rondje voor de zaak aan te bieden. Moet je in Nederland direct aan een tweede hypotheek, hier kan je dat rustig doen als je een tientje in je zak hebt. Oh, maar de heren kaarters hoeven niets, legt Makis uit. Zij kaarten hier de hele middag, drinken een enkel kopje koffie, veroorloven zich heel soms een biertje en gaan dan weer naar huis. Maar zover is het nog niet.
Ook Makis zelf bedankt vriendelijk, hij drinkt niet onder diensttijd. En Arseni? Heel aardig aangeboden, maar nee, toch maar niet. De dag is nog jong.
We praten over de Euro, de huidige situatie in Griekenland, Tsipras en zijn illustere voorgangers. En natuurlijk hebben we het over de rijkeluishobby genaamd de EU. Makis moet het allemaal nog zien of Griekenland uit de problemen komt. Arseni ziet de toekomst somber in. De corruptie en de hebzucht van de Griekse top doet ons allemaal de das om, waarschuwt hij.
Ik probeer hem te troosten met de gedachte dat er in alle landen van de wereld corruptie is en bied hem alsnog een borrel aan. Hij geeft zich gewonnen, accepteert mijn aanbod. Tja, het is onbeleefd om dan zelf niets te nemen. Even later kletsen onze glazen tegen elkaar aan en kunnen we ons gesprek weer hervatten.

Na een hartelijk afscheid, Arseni en ik slaan elkaar tijdens het huggen even op de rug, en mijn plechtige belofte binnenkort weer terug te komen, begeef ik mij weer in de hitte. Maar goed dat ik naast mijn tsipourootjes een liter water gedronken heb. Anders had ik waarschijnlijk uren moeten zoeken naar mijn auto.
Tien minuten later stuur ik kriskras door het binnenland van centraal Corfu. Road to nowhere (The Talking Heads) schalt op volle sterkte uit de wijd geopende ramen. Ik schreeuw ongegeneerd met David Byrne mee: We're on a road to nowhere, come on inside.
Ik doorkruis nooit vermoede plaatsen als Estavromenos, Kalafationas, Varipatades, Kothoniki en andere mij onbekende delen van Corfu, nu en dan gadegeslagen door wantrouwende boeren en hun gades. Zelfs rijd ik op den duur langs een aantal paardenstallen waarvan de bewoners mij met hun lieve ogen verbaasd aanstaren. Ik knik vriendelijk terug en denk: Wat heb ik toch een prachtleven.
Een half uur later heb ik nog steeds geen flauw idee of ik op weg ben naar de supermarkt of dat ik mij er verder van verwijder. Maar hé, de muziek is goed, de wind waait door de open raampjes en ik ontdek nieuwe werelden. Soms is het helemaal niet erg om een onderontwikkeld richtinggevoel te hebben.
Klik hier voor de foto's

Gelukzoeker (2)

Mijn SD-stick staat weer vol met mooie plaatjes van Corfu en dus zak ik weer af naar de lagere regio’s. Ik moet nog melk halen!, schiet mij opeens te binnen. Omdat Pelekas van zichzelf ook een prachtig plaatje is, besluit ik om het nuttige met het aangename te verenigen. In plaats van rechtdoor, sla ik rechtsaf, richting het enkele kilometers verderop liggende Sinarades. Nog zo’n pareltje in het binnenland van centraal Corfu.
Nu nog even een goed standpunt zien te vinden vanwaar ik dit prachtig gelaagde bergdorpje kan vastleggen voor het nageslacht. Vandaar vind ik vast wel een binnendoor weggetje om langs de supermarkt te rijden.
Ter hoogte van Sinarades vind ik een prima plekje met vrij uitzicht. Even later heb ik ook Pelekas tot mijn tevredenheid vastgelegd. Diellas, here I come!
Mijn gebrekkig ontwikkelde richtinggevoel zegt mij dat ik links moet afslaan en ik steek iets wat voor een brug moet doorgaan over. Geel-zwart geblokte relingen moeten voorkomen dat het verkeer massaal in de rivier belandt. Na wat slingerwegen door het prachtige binnenland van centraal Corfu, rijd ik plotseling Kouramades binnen. Laat ik daar nou nog nooit geweest zijn! Het is schilderachtig. Bij het naderen van een driesprong met in het midden een fel gekleurde kerk, remt mijn auto vanzelf, daar hoef ik niets voor te doen. Hij parkeert op een schaduwrijk plekje, schakelt zichzelf uit en fluistert: ‘Ga maar, nu kan het nog. Misschien is het morgen te laat’.
Tja, dan moet het maar. En ik stort mij in de stille straatjes en bochtige krochten van Kouramades.

Wat is dat toch altijd genieten, gewapend met een camera wandelend door zo’n vergeelde afdruk in tijd. De rust die over je komt als je een paar van de dorpsoudsten gemoedelijk ziet zitten op een houten krukje, een afgezaagde boomtronk en een gammel plastic kuipstoeltje. Ze zwoegen niet, ze vergaren niet, ze bouwen niet, ze breken niet af. Eeltige handen houden een flesje water of Fanta vast, verder niets. Alleen hun lippen bewegen, en soms hun handen, om hun argumenten kracht bij te zetten.
Het op dit moment verlaten dorpsplein, waarvan je weet dat het er vaak een drukte van belang is. Waar tijdens de panigiri (dorpsfeest) en andere feesten wordt gedronken, gegeten, gezongen en gelachen. En gedanst natuurlijk; de Syrtaki en andere Griekse dansen, in klederdracht of het gewone kloffie. Maar nu even niet, niet om vier uur in de middag.
Snoeioude huisjes met zwaar verschoten luiken en afgebladderde verflagen leunen zwaar vermoeid tegen elkaar aan. Hoeveel generaties huisvaders hebben in het piepkleine keukentje van moeder de vrouw te horen gekregen dat de buitenboel nodig weer eens geschilderd moet worden. En hop, daar kwam er weer een laag bij.
Kijk, daar zit een setje voor zo’n huisje in de schaduw. Samen zijn ze goed voor ruim anderhalve eeuw, schat ik. Wat ze doen? Gewoon zitten genieten, meer niet. Van de rust, de geur van de zomer, de fluitende vogels en soms een kind wat voorbij fietst.
Daar hebben we de onvermijdelijke plaatselijke supermarkt ter groote van een schoenendoos. Zoals gebruikelijk staat daar de hele santenkraam buiten in de brandende zon te blakeren. ’s Ochtends is een groot deel van het assortiment naar buiten gesleept, uitgestald en opgestapeld. En als de avond eenmaal gevallen is en de nacht zijn intrede doet, wordt het weer allemaal opgepakt en naar binnen gesjouwd. Heerlijk, ik kan er uren doorbrengen.

Van al dat gewandel op het warme gedeelte van de dag, krijg ik best wel dorst. Mijn tong is zo ruw als een lap soldatenleer en ik krijg visioenen van een fles heerlijk koel water. Dat kan op dit uur van de dag een probleem worden. Zoals in de meeste niet-toeristische plaatsjes op Corfu, is ook hier iedereen van de straat, al dan niet in diepe rust. Het is tussen drie en vijf uur in de middag zelden of nooit lonend om je bar of winkel open te houden.
Wandelend door de smalle hoofdstraat die dwars door het dorp heen loopt, speur ik om me heen, zoekend naar verkoeling en beschutting tegen de zon. Ik ben moederziel alleen, ben al een kwartier lang geen sterveling tegen gekomen. Ja toch, een luie hond die mij loom aan keek met een blik alsof hij wilde zeggen: Wat doe je hier op dit tijdstip?
Waar ik ook kijk, de luiken zijn gesloten. Dan komt een auto mij tegemoet, met achter het stuur een Griekse jongedame met een weelderige bos haar. Niet iedereen slaapt hier dus op dit uur van de dag. Dat zou eigenlijk wel moeten. In de smalle straatjes hangt de hitte als een deken om mij heen. Een normaal mens ligt op dat uur in een koele kamer met de luiken gesloten, energie op te doen voor de rest van de dag.
Het ziet er naar uit dat ik in Kouramades mijn dorst niet zal lessen, daar heb ik me bij neergelegd. Ik sla een hoek om en hoor in de verte geroezemoes, zo nu en dan afgewisseld met een schreeuw. Dat moet wel een kafeneion zijn! Ondanks de zinderende hitte versnel ik zowaar mijn pas.
Lees hier het vervolg
Klik hier voor de foto's

Gelukzoeker (1)

Terwijl wij rond het middaguur op de achterveranda onze koffie dronken, viel er plotseling– zeer opmerkelijk – een pittige bui. Al snel maakte de regen, dankzij een zwoel briesje, weer plaats voor een heerlijk zonnetje. Hierdoor hadden wij te maken met bijzonder helder weer. Oorzaak en gevolg naar verluidt, maar wel opmerkelijk.
Wanneer het heel helder weer is,begint het bij mij al snel te jeuken. Ik werp eens een blik op de Pantokrator, die ondanks een afstand van hemelsbreed 30 kilometer toch heel duidelijk te onderscheiden is, met een veelheid aan felle kleuren daaromheen. Ik giet koffie in mijn kop, kijk nog eens en onderscheid nog meer detail. Ik bedoel, 30 kilometer en ik kan de vliegen op de antennes op de Pantokrator zien zitten.
‘Ik ga foto’s maken’, zeg ik tegen Mirjam.
‘Oh?’, zegt ze, niet echt verbaasd.
‘Ja, het is zo kraakhelder, ik krijg eeuwig spijt als ik de gelegenheid niet te baat neem’, roep ik terwijl ik mijn cameratas controleer op een extra accu, lenzen en filters.
‘Dan kan je op de terugweg gelijk even biologische melk halen bij Diellas’, roept ze.
Ik twijfel ondertussen welke lens ik extra mee zal nemen; de tele- of de groothoeklens. Ik prop de telelens in het zijvak en stap het zonlicht in.
‘Niet vergeten melk te halen!’, hoor ik nog net als ik naar de auto loop.

Ik ga naar Pelekas, een van de omliggende, hoger gelegen dorpjes van centraal Corfu. Om preciezer te zijn, ik ga naar het hoogste punt van Pelekas: Kaisers Throne. Op die hoogverheven plek liet de Duitse keizer Wilhelm II een uitkijkpost bouwen. Regelmatig liet hij daar zijn tranen de vrije loop, zo mooi vond hij het uitzicht vanuit de hoogte.
Ik stel me zo voor dat Wilhelm, na weer een drukke dag van regeren, daar op de top van de berg zit bij te komen. Je krijgt als keizer een berg gekonkel en gekronkel over je heen natuurlijk. Dus aan het eind van de werkdag beklimt hij de treden van zijn Kaisers Throne en zet zich zuchtend neer, laat de dag aan zich voorbij gaan. Wijntje erbij, borrelnootjes, in afwachting van zijn gade.
Tranen vullen al snel de groeven op zijn gezicht, zo mooi vindt hij het. Dan komt Hermine, zijn beminnelijke echtgenote om te kijken of het wel goed gaat met haar Wilhelm. Hij werkt zo hard de laatste tijd. Wanneer ze zijn betraande ogen ziet, vraagt ze verbaasd: ‘Huil je?’
Ja, knikt hij alleen maar.
‘Ben je ziek, heb je verdriet?’, vraagt ze bezorgd. Hij schudt zijn hoofd.
‘Ik ben zo gelukkig’, fluistert hij zachtjes.
‘Maar waarom huil je dan?’, wil ze graag weten.
‘Omdat dit is het mooiste uitzichtpunt van de wereld is!’, zegt hij met een van tranen doortrokken stem. Hij haalt een mouw langs zijn ogen en slikt een paar tranen in. Zij kijkt hem aan met een mengeling van ongeloof en verbazing. Normaal is hij niet zo sentimenteel.
‘Nou ja, blijf niet te lang zitten hè? Straks vat je nog kou’, roept ze, terwijl ze zich omdraait en wegloopt.
Hij kijkt haar teder na. Goeie vrouw, al heeft ze van romantiek geen kaas gegeten. Het liefst had hij gezien dat ze naast hem plaats nam, zodat ze tegen elkaar aan geleund samen hadden kunnen genieten van het uitzicht. Je weet maar nooit wat er van komt. Nou ja, je kan niet alles hebben.
Dan richt hij zijn blik weer op het prachtig groen glooiende tafereel beneden, met daar omheen de grijsgroene bergketen en de strakblauwe Ionische Zee. En begint weer zachtjes te huilen.
Niet vreemd hoor, je kijkt inderdaad een allemachtig eind weg vanaf de Kaisers Throne en het is allemaal schitterend in harmonie met elkaar. Als je dan denkt aan het geploeter en de haat en nijd tussen de mensen in het algemeen en politici in het bijzonder dan stel ik me zo voor dat het je wel eens te moede kan worden.

Van links naar rechts: De hele Ropa Vallei wordt voor je ontrold. Daarachter de rijk begroeide bergen die centraal Corfu scheiden van het noordelijk gedeelte van het eiland, met middendoor de Troumpeta pas. Terwijl je blik langzaam naar rechts glijdt, tekent de oostelijke kustlijn van Corfu zich af met kustplaatsen Dassia, Ipsos, Barbati en zelfs Nissaki. Langzaam, niet te snel!, naar rechts, tot je Corfu Stad ziet liggen, met daarachter die bak met donkerblauw water, waarachter weer het vasteland van Griekenland en Albanië. En je blik gaat ongemerkt verder naar rechts, tot je uiteindelijk bij Varipatades uitkomt. Prachtig op een heuvelwand gedrapeerd, met als blikvanger de markante kerkspits. Nog iets verder zuidelijk, bovenop de op een na hoogste berg van Corfu, steekt de Grote Golfbal van Agii Deka scherp af tegen de blauwe hemel.
Helemaal niet gek dus dat ik daar een paar plaatjes wil schieten. En dat doe ik dan ook. Met droge ogen, dat dan weer wel.
Lees hier het vervolg
Klik hier voor de foto's

zondag 2 augustus 2015

Moonswimming



‘Zullen we vanavond nog eens naar het strand gaan voor een moonlightswim?’, vraagt Mirjam.
Soms heeft ze zo maar out of the blue van die briljante ingevingen, die meid.
‘Ja, dat is goed’, zeg ik, en drink in een teug mijn zoveelste glas ijskoud water leeg. Gosh, wat is het warm! Corfu zucht al een paar weken onder een heuse hittegolf en het einde is nog niet in zicht, als we de weerprofeten mogen geloven.
De airco snort zachtjes, waardoor de temperatuur binnenshuis zonder meer comfortabel is. Maar zet je een stap naar buiten dan valt er gelijk een bloedhete deken over je heen. Open je de deuren van je auto dan weet je helemaal niet wat je overkomt. Of ja, toch. Zo voelt het ook als je de ovendeur opent om die gegrilde kip of versgebakken appeltaart eruit te halen. In stilte vraag ik me af of we niet beter thuis kunnen blijven, binnen de veilige koelte van onze vier muren.

Het valt mee in de auto. Dat komt omdat ik pas enige uren na zonsondergang de sleutel in de deur stak. Het leek Mirjam namelijk romantisch om rond middernacht in het zilte water van de Ionische Zee af te dalen. Of de romantiek daardoor verhoogd wordt, weet ik niet. Feit is dat we, een uur voordat de nieuwe dag een aanvang zal nemen, over de donkere slingerwegen van Corfu richting de kust rijden. Het is nog altijd een graad of 28, dus de raampjes staan wagenwijd open.
Nadat we de bergkam bedwongen hebben en aan de afdaling naar zeeniveau beginnen, zien we die grote bak met water waarin de maan in volle glorie – het is Blauwe Maan – haar stralen overvloedig strooit. We krijgen een onbedwingbare zin om te gaan zwemmen. Ook Foxy, die vanwege het late tijdstip mee mag, merkt dat het eind van de rit in zicht is.
We hebben alle ruimte om te parkeren en spoeden ons achter Foxy aan langs het terras van een inmiddels gesloten strandtent naar de zee. Het zand, waar je een paar uur eerder nog niet met blote voeten op kon lopen, voelt lekker koel aan tussen onze tenen. Aan strandbedden geen gebrek.
Terwijl wij ons van zoveel mogelijk textiel ontdoen, oppert Mirjam het idee om maar helemaal niets aan te houden. Ik kijk om me heen en zie verderop een strandtent waar nog licht brandt. Al moet ik toegeven dat het wel iets heeft, zonder pennendekker zwemmen. Ik twijfel. Als om mijn twijfel weg te nemen, gaat het licht bij de strandtent uit.
‘Maar wat nou als de strandstoelenmeneer zijn  geld komt innen?’, hou ik de boot nog af.
‘Ja hoor, om twaalf uur ’s nachts’, antwoordt Mirjam en lacht mij ondeugend toe.
Ik steek mijn vingers achter het elastiek van mijn zwembroek. Net willen mijn armen een neerwaartse beweging maken als we iets verderop mensen horen praten. Toch maar niet dus.

Het is inmiddels middernacht geweest. Die goudgele bol daar hoog aan de hemel is prachtig en doet vreselijk zijn best om de boel te verlichten. De zee is als een spiegel zo vlak en ik drijf comfortabel op mijn rug op het zoute nat van de Ionische Zee, oortjes onderwater. Ik luister naar het ruisen van mijn bloedsomloop, wat heel ontspannend is. Boven mij steekt een driehoek van flonkerende sterren fel af tegen de inktzwarte achtergrond, te midden van duizenden kleinere sterren.
Dan voel ik een haal van een hondenpoot langs mijn been en zie de blije kop van Foxy naast de mijne verschijnen. Waterrat. Onuitputtelijk pendelt ze tussen Mirjam en mij heen en weer. Ik geef haar een aai over de bol, waarna ze weer koers zet naar mijn zwemmaatje. Dit is geluk mensen.

Op de terugweg naar huis zingen we gezamenlijk een iets aangepaste versie van Van Morrison’s prachtige liedje Moondance:
Well, it's a marvelous night for a moonswim
With the stars up above in your eyes
A fantabulous night to make romance
'Neath the cover of August skies
And all the night's magic seems to whisper and hush
And all the soft moonlight seems to shine in your blush
Can I just have one more moonswim with you, my love
Can I just make some more romance with you, my love
Well, I want to make love to you tonight
I can't wait 'til the morning has come
And I know that the time is just right
And straight into my arms you will run

Eenmaal thuis aangekomen gaat wel alle kledij uit.

zondag 24 augustus 2014

Feesten, altijd maar feesten

‘Als jullie zin hebben in een overheerlijke lunch, dan moet je eens naar Spiros en Voula in Strongili gaan’, mailde Babs, voor wie wij op de kippen passen. Nou, dat hoef je tegen ons maar een keer te zeggen.
De volgende dag besluiten wij het waarheidsgehalte van Babs’ bewering te testen en rijden via de lange slingerweg naar Strongili. Het plaatsje ligt ruim 200 meter lager dan de plek waar we verblijven, dus we leggen de afstand in recordsnelheid af.
Wanneer we het dorpje binnen rijden, is het uitermate rustig in de zonnige hoofdstraat. In de zinderende hitte rijden een paar jongetjes rondjes op hun fietsen. Een snoeioud scootertje met daarop een nog oudere Griek tuft op zijn gemak voorbij en een luie hond zoekt een schaduwrijk plekje om eens lekker aan zijn ballen te krabben. Verder niets.
Domme toeristen als wij zijn, houden wij er nog steeds geen rekening mee dat veel Grieken later op de middag altijd een uiltje knappen. Dan kan het dus zomaar gebeuren dat je bij een restaurant voor een gesloten deur staat. Zo niet bij Spiros Taverna. Een knaap van een jaar of 14 zit op het door druivenranken overgroeide terras en speelt wat op een gitaar. Een iets ouder meisje zingt erbij en twee jonge knulletjes zijn aandachtig toeschouwer van het rustieke tafereeltje. Bij onze entree kijkt het kwartet op van hun spel en de gitarist begroet ons. Ik vraag hem of de taverna gesloten is.
Nee nee, haast hij zich te zeggen, ik neem even waar. Mijn ouders zijn even weg, maar die kunnen hier zo zijn.
Wij vragen of we wat kunnen eten. Maar natuurlijk! Gaat u zitten, wat wilt u drinken? Dat laten wij ons geen twee keer zeggen op deze warme middag.
Als hij onze drankjes serveert, vragen wij of het niet teveel moeite is om de vuren op te stoken. Nee hoor, helemaal niet. Hij heeft zijn vader inmiddels aan de telefoon gehad en die heeft moeders het bed uit geschopt en onverwijld onze kant op gestuurd. Ah, nou, dan moet het maar, al voelen wij ons een beetje schuldig.
Wij genieten van onze gekoelde drankjes en de rust van een klein dorpje ergens midden op Corfu. De jongelui hebben hun muzikale bezigheden weer opgepakt en de kinderen fietsen onvermoeibaar hun rondjes. Een stokoud besje met kromme beentjes en beladen met een bos kreupelhout strompelt moeizaam op haar stok steunend voorbij. Na een minuut of tien komt vanuit het restaurant een vriendelijk uitziende blonde dame naar ons tafeltje en vraagt wat wij willen eten. Navraag leert dat dit Voula is.
Wij laten ons voorlichten en bestellen beiden een hoofdgerecht. Voula beveelt ook enkele voorgerechten aan en wij laten ons verrassen.
Terwijl de kokkin zich terugtrekt in haar domein, bespreken wij de verschillen qua alcoholbeleving in Nederland en Corfu. Daar mag je pas alcohol kopen als je 18 bent, hier wordt het geserveerd, en misschien wel gebrouwen, door een 14-jarige.
Wij worden in onze mijmeringen onderbroken doordat een man met een doorleefd gezicht zich aan ons tafeltje voegt. Hij stelt zich voor als Spiros, eigenaar van de taverna en echtgenoot van de kokkin. Ah, we hebben over je gehoord, zeggen wij. Nou dat kwam goed uit, hij ook over ons. ‘You are from Holland, eh? Alles heerlijk, alles lekker.’ Karel en Babs hebben ons hier dus ook al geïntroduceerd.
Als we ons even later tegoed doen aan de vele lekkernijen die geserveerd werden, Babs heeft niet gejokt, komt Spiros een praatje maken. We bespreken de muzikale kwaliteiten van zijn zoon Alex, de 14-jarige jongen die ons zo vriendelijk ontving. Spiros denkt dat hij het ver kan schoppen. Op gitaar komt hij al heel aardig uit de voeten, maar zijn zangtalenten zijn helemaal onovertroffen. Hij vertelt dat de jongen momenteel aan het oefenen is voor komende zondag.
Ah?, vragen wij gezamenlijk. Ja, volgende week is weer het jaarlijkse zang- en dansfeest van Strongili, legt hij uit, en Alex moet dan een van de solopartijen zingen. Deze zondag is de generale repetitie. Als wij zin hebben om te komen dan zijn we bij deze van harte uitgenodigd.
Wij beloven plechtig te komen.
Als wij die zondagavond het gezellige dorpsplein van Strongili betreden, is het al bommetje vol. Kinderen hollen achter elkaar aan, de wat oudere jeugd klit bij elkaar, terwijl de volwassenen enorme rookwolken produceren met het grillen van souvlaki’s en bifteki’s. De drankstand voorziet gretige Grieken van bier, wijn en andere spiritualiën.
Wij laten ons de souvlaki met brood goed smaken en genieten ondertussen van de drukte om ons heen. Wij blijven ons verbazen over de bereidwilligheid van de Grieken om feesten te bezoeken. Geen gelegenheid wordt onbenut gelaten om massaal het feestterrein te bezetten, al is het maar een generale repetitie.
Geheel tegen de gewoonte in begint het spektakel redelijk op tijd. Wij zien een vrij groot koor, waarvan alle leden netjes in hetzelfde tuniek gehesen zijn. De bevlogen dirigent vormt in zijn jeans en houthakkershemd een sterk contrast met zijn koorleden. Zijn frivole kledingkeuze heeft echter geen negatieve invloed op zijn presteren want hij weet jong en oud tot grote prestaties te leiden. Spiros’ zoon imponeert inderdaad met een volle en vaste stem. Die komt er wel.
Na het zangfestijn begeven wij ons snel naar Spiros’ Taverna. Daar staat hij ons al glunderend op te wachten. Heb ik het niet gezegd?, spreken zijn ogen. Het eerste rondje drank is voor zijn rekening.
Tegen de tijd dat onze tafel is volgezet met een keur aan saganaki, salade, tzatziki, brood en andere voorgerechten, is het restaurant afgeladen. Als mieren lopen de gasten langs, door en over de tafeltjes heen om de voorstelling of de laatste nieuwtjes te bespreken. Sommigen nemen niet eens de moeite om op te staan en voeren een geanimeerd gesprek met hun vrienden aan de andere kant van de gelagkamer. Het is een herrie als het laatste oordeel, zoals het hoort volgens de Grieken. Een stil restaurant is een leeg restaurant.
Plotseling klinkt boven het rumoer uit het getokkel van een gitaar. Ik kijk om en zie de jonge Alex, gewapend met zijn instrument, aan een tafel zitten, samen met enkele collega koorleden. Ze beginnen te zingen, begeleid door Alex. Voordat het eerste couplet gespeeld is, is het hele restaurant uitgebarsten in zang. Alle aanwezigen kennen de teksten blijkbaar, want niemand laat zich onbetuigd in het meezingen.
Als het eerste liedje is afgelopen, staat een paar tafels verder een man op die ik aan zijn overhemd herken als de dirigent. Met het glas in de hand bestelt hij een nieuw liedje bij Alex, die gelijk de eerste akkoorden aanslaat. Direct valt het hele restaurant hem bij, begeleid door de zwierige armbewegingen van de dirigent. Het gevoel van eenheid wordt prachtig gesymboliseerd door de massale samenzang. Fantastisch, wat een sfeer!
Op zulke momenten wens ik heviger dan ooit dat ik Grieks kan spreken. Ik zou zo graag mee willen zingen, maar op een verloren ‘Agapi Mou’ en ‘Kerkyra, Kerkyra’ na is er voor ons geen eer te behalen. Een van de aanwezigen, die in de gaten heeft dat ik best wel wil, mimet de gezongen tekst met groteske bewegingen van zijn mond. Ik knik hem dankbaar toe en roep een paar keer ‘Hoppa!’, maar ondanks zijn hulp kan mijn bijdrage aan het liedje hooguit gekwalificeerd worden als een storend element. Bij het volgende liedje probeert de vriendelijke man het nog een keer, maar als hij mijn radeloze blik en werkeloze mond ziet, geeft hij het op en neemt weer uit volle borst deel aan het gezang.
Hij kan natuurlijk niet weten dat ik in een restaurant alleen maar een tafel voor twee kan bestellen en daarna ook nog in het Grieks de rekening vragen.

vrijdag 15 augustus 2014

The sound of silence

15 Augustus: Maria Hemelvaart. Een van de pakbeet tachtig belangrijkste feestdagen op Corfu. Het openbare leven op het eiland ligt dan stil, feestvierders als de Corfioten zijn en waarschijnlijk altijd zullen blijven.
Dat is te merken als ik 's ochtends vroeg de deur uit ga voor een pittige wandeling. Geen kraaiende hanen, knetterende brommers, spelende jeugd, blaffende honden, claxonnerende bouwvakkers en andere geluiden die zo kenmerkend zijn voor een doorsnee werkdag op Corfu.
Niet dat wij momenteel veel merken van alle leven. Wij zijn namelijk weer neergestreken in Agii Deka om nogmaals op de kippen van Babs en Karel te passen. Dat is onze favoriete bezigheid. Dat wij daarbij in hun prettige vakantievilla moeten verblijven om onze taak serieus te behartigen, nemen wij voor lief.

Kom je, baas?
Als ik koers zet richting de Golfbal (een reusachtige zender/ontvanger) bovenop de 'Tweede Pantokrator', zoals de berg door de eilandbewoners genoemd wordt, is het nog stiller dan normaal in dit gedeelte van Corfu. Ik noem het de 'razende stilte'. Het enige geluid dat ik zo nu en dan hoor, is mijn raspende ademhaling als ik een steil stuk weg beklim, verder niets.
Het is onwerkelijk. De vogels zingen niet, de honden laten zich niet horen, insecten gaan in stilte voorbij, kerkklokken zwijgen in alle toonaarden. Ik kan het gras horen groeien. Er is blijkbaar nog geen verkeer op de weg, het is doodstil. Wacht, daar komt ineens een Griek op een bromfiets de berg af, mij tegemoet. Uit piëteit voor de serene stilte heeft hij zijn motor uitgeschakeld, al kan het ook uit economisch oogpunt zijn.
Na enkele kilometers klimmen over de ruwe betonweg - ik ben inmiddels zo´n honderd meter gestegen - zie ik plotseling een kronkelend bergpad zich afscheiden van de weg. Dat is mij meestal te machtig en ook deze keer verlaat ik de gebaande paden. Wat zal ik tegenkomen? Een in verval geraakt klooster, een verlaten fabriekje, een afgelegen ruïne of iets anders mysterieus en uit de tijd?
Het pad waarop ik mij begeef, is niet bepaald geplaveid. Het is bezaaid met kiezels en keien en is hier en daar overwoekerd door onkruid en struikgewas. Naarmate ik vorder, wordt de natuur vijandiger. Stekels zijn inmiddels formaat tandenstoker en scherpe dorens trekken mij regelmatig aan mijn shirt. De desolaatheid van de omgeving wordt versterkt door de aanwezigheid van een grote groep mieren, druk doende een ongeïdentificeerd zeer harig kadaver te ontmantelen.
Ondanks dat ik inmiddels op bijna 400 meter hoogte ben, staat er geen zuchtje wind. Mede daardoor is de stilte nog steeds oorverdovend. Daarbij ben ik het enige menselijke wezen in de wijde omtrek. En dan komt een mens wel eens op diepere gedachten dan de dagelijkse dingen.
Ik denk aan mijn oudste zus Bep, die helaas niet meer leeft. Deze wandeling had ze fantastisch gevonden. Natuurmens als ze was, had ze ongetwijfeld eetbare vruchten gevonden, een prachtig gevormde steen opgeraapt of een heel bijzonder plantje of mosje ontdekt. Ik zie haar voor me, gehurkt zittend met in de ene hand een paar bloemetjes, de ander reikend naar nieuwe schatten. Ze wilde ons nog zo graag een keer bezoeken toen wij net op Corfu woonden. Jammer genoeg liet haar gezondheid dat niet meer toe en is ze overleden toen wij hier net een half jaar woonden. Ze werd maar 66.
Ano Garouna
Ook komen allerlei gedachten bij mij boven als ik naar het dorpje kijk dat heel in de verte tegen een bergwand is aangeplakt (ik vermoed dat het Ano Garouna is). Hoe zal zo'n samenleving zijn ontstaan? Ooit moet daar iemand na omzwervingen op het eiland zijn neergestreken en daar de eerste paal in de grond hebben gehamerd om een bestaan op te bouwen voor zichzelf en zijn gezin. Een volgende moet gezien hebben dat hij het goed deed en eigende zich een belendend perceel grond toe en dat ging maar zo door.
Hoe zal het leven er uit hebben gezien toen er nog geen gas, water en elektriciteit was?  Geen auto's, of openbaar vervoer? Geen telefoon, of erger nog: internet! Zullen de mensen toen, en nu, hun dorp wel eens uit geweest zijn? Wordt het gezag nog uitgeoefend door een veldwachter met strenge pet, een grote snor en een glanzende sabel? Vinden jonge mensen het nog net zo leuk als toen ze kind waren om in zo'n afgelegen samenleving te wonen?
Ik word in mijn gedachten gestoord als ik op een losliggende steen stap  en bijna mijn enkel verzwik. Nieuwe niet alledaagse gedachten dringen zich op. Wat als ik hier een been breek of een paar meter naar beneden stort en zieltogend lig te creperen op een rotsige berghelling? Zoals gewoonlijk ben ik mijn mobiel vergeten. Mirjam lag nog te slapen toen ik op pad ging, dus het zal zeker tot ver in de middag duren alvorens zij zich zorgen zal gaan maken. Op hulp hoef je dus voorlopig niet te rekenen. Ga je kruipen, met je kapotte poot achter je aan slepend? Hoe veel pijn kan een mens verdragen om in de bewoonde wereld te komen? Ik weet het niet en wil het liever niet weten ook. Oppassen waar ik mijn voeten neerzet dus.
Slangenleren jas
Dan vind ik een slangenleren jas midden op het pad.  De vorige eigenaar heeft hem uitgetrokken en is weer verder gekropen. Het zou de huid van de hoornadder kunnen zijn, een van de giftigste slangen van Europa. Een beet van zo'n naarling moet binnen een half uur behandeld zijn, anders is het uit, over, einde oefening. Van mijn korte broek en teenslippers hoef ik niet veel bescherming te verwachten.
Wat zal er door je heen gaan als je het leven razendsnel uit je voelt stromen nadat je door zo'n agressieveling te grazen genomen? Ik had dit moeten doen, dat niet moeten doen, meer tijd met vrouw en kinderen door moeten brengen, een vak moeten leren en andere spijtuitingen. Voornaamste gedachte lijkt mij: Shit, ik had mijn mobiel mee moeten nemen!
Zo denkende ploeter ik verder op het pad tot ik een bocht rond en zie dat het ineens ophoudt. Hoe ik ook tuur naar een opening of doorgang, ik zie geen enkel teken van een pad meer. Slechts rotsen en een overvloedige plantengroei, zo ver het oog reikt.
Mijn laatste diepe gedachte van die dag is: Met welk doel is men ooit begonnen dit pad aan te leggen?
De 'Golfbal'

maandag 11 november 2013

Schatgraven


Van een vriend kregen wij onlangs een boekje te leen, genaamd Een Feestmaal op Corfu van Emma Tennant. Deze Engelse schrijfster, die decennia lang op Corfu gewoond heeft, verhaalt regelmatig over haar huis in Liapades, vlakbij het strand van Rovinia Beach gelegen.
Na het boekje gelezen te hebben, was onze nieuwsgierigheid zodanig gewekt dat we besloten het strandje op te zoeken. Dit konden we prachtig combineren met een eerste wandeltocht met onze nieuwe hond Foxy. Doel van de wandeling: Rovinia Beach.

De enige aanwijzing die wij hebben is een supermarkt in Liapades genaamd Athina, waar wij linksaf moeten slaan. Nou, fluitje van een cent, zou je zeggen. Athina openbaart zich inderdaad zonder problemen, maar daarna worden de aanwijzingen summier. Om niet te zeggen, nihil. Typisch Grieks, stellen wij beiden vast.
Na een aantal kruisingen en afslagen gegokt te hebben, besluiten wij op een hoog gelegen punt diep in de groene bush van west Corfu om de auto te parkeren en onze zoektocht te voet te vervolgen. Het uitzicht over Paleokastritsa en de hoger gelegen bergdorpen Lakones en Gardelades is indrukwekkend.
Spoedig wandelen wij over een redelijk begaanbare betonweg langs en door schitterende olijfgaarden. Aangezien borden die ons naar Rovinia verwijzen net zo vaak voorkomen als een pisbak in een nonnenklooster, gaan we maar op ons gevoel af. Na een fikse afdaling door de sterk glooiende, dichtbeboste omgeving bevinden wij ons op een pad dat dieper het binnenland lijkt te gaan. Dat wordt straks nog een leuke tippel naar boven, realiseren we ons.
Midden tussen tienduizend olijfbomen ontmoeten we plotseling een menselijk wezen: een bellende boerin. Na gewacht te hebben tot ze uitgebeld was, vragen wij of wij op de goede weg zijn naar Rovinia. Ze verwijst ons in gebrekkig Engels terug van waar we gekomen zijn. Ah, we mogen dus vast gaan klimmen.

Dan gaan we het pad maar in dat we enkele kilometers daarvoor steil naar beneden hebben zien afbuigen.
Kolere, klimmen is belastend voor je conditie, maar afdalen voor je ledematen. Omdat we eigenlijk geen rekening gehouden hebben met het zware werk, is Mirjam op gewone instappertjes en ik op mijn teenslippers. We vragen ons openlijk af of dit een goed idee is, zeker omdat het pad zover het oog reikt alleen maar steil naar beneden gaat. Op zich niet erg, maar we mogen dit traject ook weer in omgekeerde volgorde doen.
Onze nieuwsgierigheid naar de door mevrouw Tennant bezongen schoonheid van Rovinia wint het echter en we storten ons naar beneden.
De conditie van het pad valt op den duur mee, zij het dat we vanaf pakbeet 125 meter naar zeeniveau moeten afdalen. In de wetenschap dat we alleen koffie bij ons hebben, de chocoladekoekjes (suiker!) en water hebben we op het aanrecht laten staan, hopen we maar dat onze inspanningen de moeite waard zal zijn.
Na een pittige tocht door een dichtbegroeide jungle zien we ineens tekenen van beschaving. Een hek met daarop een boodschap in Grieks. We nemen gemakshalve maar aan dat het niet aan ons gericht is maar aan bloody tourists.
Even later tekenen de contouren van een enorme verlaten villa zich af tegen de horizon. Misschien is het bord toch niet alleen voor toeristen. Nou ja, er is geen sterveling te bekennen, dus zoeken en vinden we een vrij brede trap die naar beneden voert, dieper de groene wereld in. Vanaf het terras met fabelachtig uitzicht op Paleokastritsa en Lakones zien we dat het nog een heel eind afdalen is naar de zee. Nu we zo ver gekomen zijn, bijten we toch nog maar even op onze tanden en dalen de goed begaanbare trap af.
Na een ontelbaar aantal treden afgedaald te zijn, is het geruis van de zee duidelijk hoorbaar. Het strand kan niet ver meer zijn! Dan zien we in de verte een nieuw hek. Het zal toch niet zo zijn dat we in het zicht van de haven nog zullen stranden. Tot onze geruststelling zien we dat het hek weliswaar fier overeind staat en is opgetrokken om mensen de weg te versperren, maar dat iemand die het daar niet mee eens was, de afrastering om het hek heen heeft vernield. Dit hek houdt ons niet tegen.
Vijf minuten later betreden wij een klein idyllisch strandje met prachtig helder en diepblauw zeewater. Het is zo’n stil en verlaten plekje waar je de neiging om je direkt nakend uit te kleden maar nauwelijks kan weerstaan. Maar het is niet Rovinia Beach! Dat biedt plaats aan twee grotten, hebben wij op foto’s gezien. Nou ja, niet getreurd, dit is ook een allemachtig leuk en volledig  verlaten kiezelstrandje, her en der voorzien van rotsen.
We laten ons de koffie smaken en denken nog maar niet aan de vermoeienissen die ons staan te wachten. Eerst genieten van de unieke locatie.
Ondanks dat het redelijk zwaar bewolkt is, komt zo nu en dan toch de zon er doorheen. De kleur van het zeewater verandert dan in 16,7 miljoen tinten groen en blauw en alles wat daar tussen zit.
Na de koffie, enige rust en heel veel foto’s, beginnen we de brede traptreden weer te beklimmen. Omdat we niet veel gewandeld hebben deze zomer, bemerken we al snel dat de sleet er aardig op zit. Gelukkig is er vanaf de verlaten villa een stukje pad dat redelijk vlak is.
Net voordat we onze kuiten weer zwaar op de proef gaan stellen, vinden we een bord dat zegt dat het nog 350 meter naar het Meer (Limni) is. Zal dat dan Rovinia zijn? Ondanks dat we beiden zo nu en dan een beetje bloed opgeven na de klimtocht, besluiten we na enig aarzelen toch het smalle pad in te slaan. De dood of de gladiolen.
De beloofde 350 meter is naar Grieks gebruik uiterst flexibel. Ik schat dat we al minimaal een kilometer onderweg zijn als een keurig bordje aan een kettinkje aangeeft dat het nog 100 meter naar het meer is. Hopelijk is het nu toch echt niet ver meer.
Gelukkig is het smalle pad, dat geplaveid is met olijven, goed begaanbaar. We begeven ons vandaag niet voor de eerste keer door een olijfgaard. Net sta ik een prachtig paddestoeltje te kieken als Mirjam, die naar gewoonte voorop loopt omdat zij niet hoeft te fotograferen, roept: you’re not gonna believe this!
Getriggerd door haar opmerking zet ik er de pas in en dan zie ik wat haar – en mij op dat moment – verbaast. Het bospad is vanaf dat punt geplaveid met flagstones. Ongelofelijk! Het is of we midden in de jungle een vierbaans snelweg ontdekken. De padenbouwers hielden wel van variatie. Het pad zal daarna nog bestaan uit traptreden van flagstones, zware houten binten en gebikte keien. Een groot deel van het traject is zelfs voorzien van een prachtige houten hekwerk dat in de tuinen van Versailles niet zou misstaan. Bizar.
Dan komen we eindelijk aan het eind van de groene wildernis, wat gemarkeerd wordt door een paar op het strand liggende bootjes in verregaande staat van ontbinding. Zal dit dan....?
Nope, ook hier ontbreken de kenmerkende grotten van Rovinia. Wel herken ik de plek. Het is het tweelingstrandje dat heel vanuit de verte, vanaf de weg door Paleokastritsa, goed te herkennen is. Het is er prachtig, zeker omdat het een bijzonder natuurverschijnsel is. Een strandje met aan de voor- en achterkant zee. De camera maakt weer overuren.
Na ook hier weer even relaxt te hebben, moeten we er echt aan geloven. De hele helse tocht op De Trap Met De Duizend Treden, gevolgd door een 20 procent stijgend pad. Vervolgens nog eens de betonweg, ook omhoog natuurlijk, alvorens we weer bij de auto zijn. Zuchtend en kreunend zetten we de eerste schreden.
Na 100 meter zie ik aan mijn linkerhand een smal bospad dat we op de heenweg over het hoofd hebben gezien. Ik roep Mirjam en zeg dat dit misschien wel de weg naar Rovinia is. Zij weet het niet en wil het niet weten ook, antwoordt ze. Godzijdank.

donderdag 26 september 2013

Ik drink

Nog maar net terug uit Nederland kon ik bij Penny, bij velen van jullie bekend als ons favoriete restaurantje, een anderhalve literfles uitstekende tsipouro inslaan voor een belachelijk lage prijs.
Tsipouro? Yep, een pittig Grieks drankje (40%), gemaakt uit druivenresten. Zo vals als een wilde hond, scherp als een mes en zo venijnig als een adder, maar bij zware verkoudheid zo heilzaam als een gebed. En toch ook wel lekker als je het eenmaal hebt leren drinken.
Gelukkig toeval! Geheel volgens de traditie werd ik namelijk op Corfu al snel vreselijk verkouden na een bezoekje aan Nederland. Gevolg? Balen volgesnoten zakdoekjes, tranende ogen, blaffen als een schorre hond, een rauwe gok en alle holtes in mijn hoofd vol met groene gelei, wat ondanks herhaaldelijk snuiten stug bleef heen en weer jojoën. En dus een beukende kop als Mohammed Ali in zijn hoogtijdagen. Dat is niet leuk voor iemand die zelden of nooit hoofdpijn heeft. Die heeft afleiding nodig.
Dus wat doe je dan op zo’n eenzame avond, met niemand om je heen om je te troosten en op te beuren? Juist, je zet Godfather 2 op!
Om de gedachten aan mijn bonkende kop enigzins af te leiden, besluit ik er maar eens goed voor te gaan zitten en installeer mij met een bak gepeperde Italiaanse salamiplakken en de nieuw aangeschafte fles tsipouro binnen handbereik. Huh, tsipouro bij The Godfather? Tuurlijk, het is namelijk precies hetzelfde als Grappa, de Italiaanse variant!

Wat glijdt tsipouro’tje gemakkelijk naar binnen bij zo’n fantastische film. Want wat een schitterende kleuren tijdens de flashbacks met Robert de Niro als de Godfather in opkomst. Van het kleine zwijgzame godfathertje dat, nog geen tien jaar oud, zijn hele familie uitgeroeid ziet worden door de slechte en veel te machtige Don Ciccio, zien wij hem uitgroeien tot de rijzige gestalte van Vito Corleone, die een enorme schaduw werpt over Little Italy, een wijk van het vooroorlogse New York.
Ik schenk er nog maar een in als de nietsvermoedende huisjesmelker genaamd Signor Roberto de jonge Godfather dreigt hem voor de kont te schoppen, om even later bibberend als een juffershondje terug te komen als hij er achter is gekomen wie hij zojuist bedreigd heeft. Heerlijke scene, en genoeg te lachen als de doodsbenauwde huisbaar de deur van het kantoor niet open krijgt en het bijna in zijn broek doet van angst.
Ook als het menselijk rechtvaardigheidsgevoel gestreeld wordt door de smadelijke en pijnlijke dood van Don Ciccio, die ondanks zijn seniele toestand nog steeds een schoft is, grijp ik maar weer naar de fles.
Michael in Cuba, op bezoek bij Hyman Roth
Maar vooral de verrichtingen van de nieuwe Godfather, in de figuur van jongste zoon Michael, spreken tot mijn verbeelding. Met veel schaduwpartijen en duistere blikken wordt de worsteling in beeld gebracht van een man die denkt te doen wat goed is voor zijn familie.

En dan die muziek! Zo gevoelig als de sfeer van de twee verhaallijnen ten gehore gebracht worden. Enerzijds de afwisselend vrolijke en dan weer dramatische muziek tijdens de beelden als Vito Corleone in Amerika voet aan de grond krijgt in het begin van de 20ste eeuw.
Anderzijds de dreigende muzikale omlijsting als leven en daden van Michael Corleone belicht worden. Huiveringwekkend gewoon.
Het verbaast mij dat ik ondanks mijn licht beschonken toestand, het getoonde beeldmateriaal en de melancholieke muzikale ondersteuning niet regelmatig in tranen ben uitgebarsten. Al met al schitterend drama, wat de menselijke drankzucht aanwakkert, althans de mijne.

Als Michael tijdens een ogenschijnlijk innige omhelzing met zijn broer Fredo met slechts een oogwenk zijn broers doodvonnis velt, moet ik denken aan oud-collega Frits van Kesteren.
Ik geil zo op de macht van die gasten, antwoordde hij ooit op mijn vraag waarom hij de Godfather saga zo mooi vond. Nou, dat kan je wel stellen, zoals deze jongens met hun enorme macht, invloed en onmetelijke rijkdom ingrijpen in het leven van veel mensen en zelfs over leven en dood beslissen.
Even later wordt dat nog beter duidelijk. Niet alleen zijn zwakke en verraderlijke broer Fredo wordt opgeruimd, ook zijn in gevangenschap verkerende Capo Regime Frank Pentangeli (Franky Five Angels) en Michael’s duivels slimme en doorgewinterde tegenstrever Hyman Roth moeten er aan geloven. Terwijl Michael ontspannen kuierend, een hand achteloos in de broekzak gestoken, de noodzaak tot de moorden en de details daarvan met de verantwoordelijke mensen bespreekt, eet hij ondertussen genietend van een sappige perzik. Briljant door Coppola in beeld gebracht hoe weinig een mensenleven in die kringen betekent, zelfs dat van een naast familielid. Alsof hij het heeft over het buiten zetten van het grof vuil. Verontrustend, maar prachtig. Oftewel, daar moet op gedronken worden.
Nadat het kruit is opgetrokken, het bloed uit het bad is gespoeld en de doden zijn geruimd, als alles dus tot tevredenheid van de Godfather is afgewikkeld, komt de film aan zijn eind. We zien Michael in volstrekte eenzaamheid somber voor zich uit kijken. Terwijl de muziek langzaam afsterft en de titelrol in beeld komt, reik ik voor de laatste keer naar de fles.
'Keep your friends close, but your enemies closer'

zondag 15 september 2013

Warm bad

Toen ik na een voorspoedige vlucht vanuit Corfu de grote hal van vliegveld Weeze achter mij liet en door de donkere nacht op zoek was naar de auto die volgens afspraak op mij wachtte, kreeg ik een aantal verrassingen te verwerken.
Allereerst werd ik aangenaam verblijd bij het zien van een prachtig glimmende Peugeot 308 met toeters en bellen, helemaal voor mij alleen. Mijn God, wat een plaatje! Een sierlijke zwarte panter (Michel, autofreak in hart en nieren, wist mij te vertellen dat het een bijzonder pittige auto is) op brede sloffen met siervelgen staat mij de komende weken ten dienste.
Terwijl ik mijzelf strak aankeek in de glimmende lak van de wagen, bekroop mij een lichte jeuk van schaamte. Zeker toen ik mij neerzette op het prettig geurende leer van de luxe bestuurdersstoel en een blik wierp op het sfeerverlichte instrumentarium – dat deed denken aan de cockpit van een vliegtuig. Wil, de eigenaresse van deze auto, gebruikt nu namelijk onze auto op Corfu en moet het met heel wat minder doen.
Qua snufjes en comfort zijn beide wagens nauwelijks te vergelijken. Wordt onze Chevrolet Aveo gekenmerkt door eenvoud, goedkope afwerking en standaardvoorzieningen, zaten op deze bolide alle mogelijke opties die je maar bedenken kan. Ik hoefde het licht niet te bedienen, spiegels zochten zacht snorrend de beste positie uit, om ruitenwissers hoefde ik me al helemaal niet te bekommeren, een melodieus piepertje waarschuwt mij als ik ergens tegenaan dreig te rijden. Tientallen vrolijk verlichte metertjes met opgloeiende wijzers en ledlampjes in aangename kleuren vertelden mij de buitentemperatuur, wat voor dag het was, het laatste shownieuws, welke beurzen onderuit gegaan waren en de stand van de euro ten opzichte van de dollar. Wat bijzonder fijn was: een in de rugleuning weggewerkt krabbertje met jeuksensor dat precies die plaatsen weet te bereiken waar je zelf niet bij kan. Dat wil ik ook!
Niet alleen qua vermogen, afwerking, comfort en luxe, moest onze huisbewaarster een paar levels afdalen. Vooral de uiterlijke toestand van onze eigen auto was bedenkelijk. Het ding was zo smerig dat het zelfs mij begon te irriteren. Toen Wil en ik de volgende dag telefonisch contact hadden, vertelde zij dat ze bij het achteruit rijden dacht dat de achterruit overtrokken was met een ondoorzichtig folie en dat ze zich afvroeg waarvoor dat moest dienen. Nader onderzoek leerde haar echter dat de ruit bedekt was met een mengsel van bagger, insectenuitwerpselen, woestijnzand, zure regen en vogelkak. Ik zweer bij deze plechtig dat ik echt de intentie had om de wagen tijdens de laatste dag op Corfu nog even snel door de wasstraat te halen, maar helaas ontbrak het mij aan tijd.
Tweede verrassing deed zich voor bij het starten van de auto. In een klap werden al mijn twijfels en negatieve gedachten naar de achtergrond geblazen toen ik verwelkomd werd met de dreunende begeleiding van Ken Hensley’s orgel en de gierende gitaar van Mick Box: Gypsy van Uriah Heep. Wat een entree!
Even later genoot ik, comfortabel omarmd door mijn kuipstoel, met volle teugen van een prachtige collectie evergreens van Uriah Heep, een van mijn favoriete bands uit de seventies. Return to Fantasy, Look at yourself, The Spell, July Morning, Easy Livin’, Stealin’ en noem maar op. Geweldige band met een onverwoestbaar repertoire. Luid meebrullend volg ik Michel, die regelmatig probeert mij zoek te rijden (wat hem tot zijn spijt niet lukt), over de Duitse snelwegen.
Onwillekeurig denk ik aan de wegen op Corfu. Als ik heel erg mijn best doe, lukt het mij daar soms om op een van de weinige rechte stukken op het eiland de naald van de teller op 120 te krijgen. Het vergt op zulke momenten het uiterste van mijn concentratie om al laverend te voorkomen dat ik mijn banden en/of velgen kapot rijd in een van de vele kraters waarmee de wegen van Corfu bezaaid zijn. Wegbelijning is een net zo zeldzaam verschijnsel als de komeet van Halley en noopt velen uit veiligheidsoverwegingen zoveel mogelijk midden op de weg te rijden. De belijning die ooit aangebracht is, dateert van zolang geleden dat het met kracht ontraden moet worden deze te volgen.
Verlichting wordt op de wegen van Corfu als volstrekt overbodig gezien. Alleen op  enkele drukkere wegen en grote kruispunten staat zo hier en daar een roestige lantaarnpaal opgesteld, die meestal kapot is of waaraan het lampje ontbreekt. De nog werkende verlichting biedt geen zicht omdat de crisis de overheid genoopt heeft op energie te bezuinigingen. Dit alles maakt dat nachtelijk verkeer het moet doen met maanverlichting. Laat die het ook afweten dan zijn de wegen van Corfu zo donker als een graf.
Het gebruik van vangrails is op Corfu niet onbekend, maar beperkt zich helaas tot enkele kaarsrechte stukken weg door de Ropa Vallei, het meest vlakke gedeelte van Corfu. Op smalle, onoverzichtelijke en donkere bergweggetjes kom je heel soms eens een vluchtig in de grond geramde vangrail in verregaande staat van ontbinding tegen. Bij scherpe bochten langs steile afgronden ontbreken ze echter volledig.
Dit alles maakt het autorijden door de pikdonkere nachten van Corfu wel eens tot een uitdaging.
In Duitsland daarentegen scheurden wij beiden, een handje losjes aan het stuur, de andere ontspannen meedrummend met - inmiddels – Van Halen, met 180 achter elkaar aan. Het glanzende asfalt vergleed tevreden snorrend onder de banden door, kilometer na kilometer, traject na traject. Als het niet zwart maar groen was, zou je denken dat je over een reusachtig biljartlaken reed. Elke meter asfalt die je hier aflegt, is voorzien van duidelijk zichtbare lijnen, sneeuwwitte pijlen, zojuist vernieuwde waarschuwingen en glimmend gepolijste vangrails, alle voorzien van reflectoren.
En zo mooi verlicht is de omgeving! Alleen overdag zie je het nog iets beter, maar niet veel. Het is dat de halogeen verlichting bij het starten van de wagen automatisch aanfloept, anders zou ik net zo goed zonder kunnen rijden.
Het enige gevaar dat ik tijdens de 170 kilometer van Weeze naar Hazerswoude liep, was dat ik van verveling in slaap zou vallen. Het was toch een lange en vermoeiende dag, een nieuwe dag was zojuist aangebroken en dan wil de slaap wel eens aankloppen bij een 54-jarige. Er was geen enkele aanleiding mij over iets op te winden, of het moest Whitney Houston zijn die ter hoogte van Rotterdam ineens tussen het rockgeweld opdoemde. Groot artieste, mooie vrouw met een geweldige stem en overleden op een leeftijd dat rocksterren dat gewoonlijk doen, maar toch een dissonant. Ik kan me er nochtans niet over opwinden, ben zo ontspannen als een cowboy in de saloon en dus loert het noodlot.
Toch ben ik er gerust op. Er zit vast wel een sensor in de auto die mijn slaperige toestand detecteert en een handje in werking stelt dat mij vriendelijk wakker schudt.
Houdt de slaap toch de overhand dan reken ik erop dat de auto zichzelf veilig aan de kant zet, de stoelverwarming activeert en een nachtlampje laat branden.

zaterdag 31 augustus 2013

AgiotFest 2013 - Agios Ioannis Corfu

Zoals elk jaar wordt tijdens de laatste zaterdag van augustus het AgiotFest in ons dorp Agios Ioannis gehouden. Een fantastisch muziekevenement waar veel mensen maanden naar uitzien. Zo ook ondergetekende.
En een feest werd het weer, deze lustrumversie! Met achtereenvolgens de volgende bands:
  • Heather Skinner
  • Omega 5
  • The X-Lovers
  • Vince Vortex & the Cucumbers
  • The Troggs
Klik hier of op onderstaande foto voor een sfeerimpressie van AgiotFest 2013


vrijdag 26 juli 2013

Zo kan het ook

Tijdens een van mijn eenzame fietstochten door de prachtige Ropa Vallei vond ik eens een auto ondersteboven in een diepe greppel. Waarschijnlijk was de chauffeur in volle vaart rechtdoor gereden terwijl de weg in een haakse bocht naar links ging.
Ik stapte af en was benieuwd of er nog iemand in de wagen zat. Op mijn roepen kwam geen antwoord. Niet geheel gerustgesteld, misschien zat de chauffeur wel zwaargewond of dood in het wrak bekneld,  besloot ik het alarmnummer van de politie te bellen.
Ik legde uit dat ik bij het wrak van een auto in een diepe greppel stond en niet zeker wist of er nog iemand in zat.
Waarom ik hem belde, was de vraag.
Eh, dit is toch het alarmnummer van de politie?
Ja, dus?
Ik legde nogmaals uit dat ik op de plaats van een ongeluk stond en niet wist of er eventueel een gewonde of dode in het wrak zat.
Jaja, dat snapte hij wel. Wat hij niet begreep was waarom ik hem dan belde. Diepe zucht. Maar goed, hij zou mij wel even doorverbinden.
Neh? (Ja?), kraakte de lijn.
Eh, you speak English?, vroeg ik.
Oxi (Nee), ik moest Grieks spreken.
Daar heeft hij een punt, dacht ik, maar daar werd de situatie van een eventuele gewonde niet beter van op dat moment. De redding leek zich aan te dienen in de vorm van een passerende motorrijder en ik wenkte hem met wijdse armgebaren. Hij stopte en ik wees hem op de auto in de greppel. Police, zei ik tegen hem en gaf hem mijn mobiel.
Beide mannen blaften wat tegen elkaar, waarna de motorrijder mij mijn mobiel terug gaf en vertelde dat de politie misschien nog wel een keer langs zou komen. Ooit, eens, waarschijnlijk, misschien. Waarna hij gas gaf en al snel aan de einder verdween.
Even kwam de gedachte in mij op om dan ook maar door te fietsen. Maar dat vond ik toch geen prettig idee. Toen ben ik dus maar met gevaar voor hals, nek en nieren op teenslippers in de steile greppel afgedaald om er drie meter lager achter te komen dat er gelukkig niemand meer in de auto zat. De bestuurder moet donders veel geluk gehad hebben, het dak zat helemaal tegen het stuur gewrongen. Pfoeh, dat liep dus goed af, maar niet dankzij de Politie van Corfu.
Aldus vertelde ik aan Paul, een goede vriend van ons. Hij knikte begrijpend, maar legde uit dat hij de politie van ons prettige Griekse eilandje toch bijzonder hoog had staan. Zijn relaas verklaart alles.

Paul komt op een rustige late zondagmiddag op het briljante idee om samen met moeder de vrouw naar de Chinees te gaan. In het kader ‘kom maar zoals je bent’ stapt hij de auto in met zijn favoriete Plutosloffen nog aan de voeten, compleet met vrolijk flapperende oren en lange dopneus. En ze laten zich het maal smaken. Paul spoelt het weg met een respectabel aantal biertjes, terwijl Lula, zijn vrouw , het rustig aan doet met wijn.
Twee uur later weer onderweg naar huis loopt hij in de fuik. De politie van Corfu heeft groots uitgepakt met zes auto’s, drie motorfietsen en een indrukwekkend aantal agenten.
Een jonge officier loopt op Paul toe en vraagt vriendelijk of hij zijn papieren even mag zien. Paul voldoet met enige terughoudendheid aan dit verzoek, wetende dat niet alles helemaal in orde is. Zijn rijbewijs is zo versleten en opgevouwen dat het in een holle kies past. De verzekeringspapieren liggen veilig opgeborgen thuis en wegenbelasting heeft hij nog nooit betaald. De APK van de auto is reeds jaren verlopen. De auto is dan ook niet meer showroom-fris. De rechter achterlichtconsole is geheel verdwenen, er zit speling op de stuurkolom, de banden zijn zo glad als slicks en in de linker buitenspiegel zit een ster die het hele oppervlak beslaat.
De jonge motoragent lijkt echter niet onder de indruk te zijn. Of mijnheer gedronken heeft?, vraagt hij.
Jawel officier, geeft Paul ruiterlijk toe, ik heb er een paar op.
Hm, zou hij dan mee willen werken aan een blaastest?
Zeker officier, is Paul heel coöperatief, en opent het portier. Daar zwaaien zijn in Plutosloffen gehulde voeten naar buiten. De motoragent vertrekt echter geen spier en overhandigt Paul het blaasinstrument. De wijzer slaat uit tot diep in het rode vak.
Hm, zoals het er nu uitziet heeft mijnheer te veel gedronken, stelt de agent vast.
Ja, maar het was ook zo gezellig, vult Paul welwillend aan.
Wat nu als we even een kwartiertje a een half uurtje wachten en het nog eens proberen?, stelt de agent voor.
Nou, dat is niet tegen dovemansoren gezegd en terwijl Lula duidelijk maakt dat ze niet bij die man hoort, loopt Paul wat rondjes in de hoop dat daardoor zijn alcoholpromilage snel reduceert tot een acceptabel niveau. Een uur later slaat de test echter nog steeds onverbiddelijk rood uit.
Tja, dan zit er helaas niets anders op dan te constateren dat mijnheer boven de wettelijk toegestane limiet gedronken heeft, stelt de agent enigzins verlegen vast.
OK, antwoordt Paul, en wat betekent dat, officier?
Daar staat een boete op meneer, zegt de agent, de punten van zijn laarzen ernstig bestuderend.
Paul buigt schuldbewust het hoofd en vraagt hoeveel de boete bedraagt.
Tweehonderd euro mijnheer, fluistert de agent enigzins bedremmeld. Maar als u binnen tien dagen betaalt dan kost het maar de helft!, voegt hij er enthousiast aan toe.
Paul blaast onhoorbaar een zucht van verlichting uit en belooft dat advies zeker in overweging te zullen nemen. De agent schrijft een bon uit en draait zich om om zich bij zijn collega’s te voegen.
Maarreh mijnheer de officier, roept Paul, hoe komen we nu thuis?
De agent trekt zijn wenkbrauwen zichtbaar verbaasd omhoog en kijkt Paul bevreemd aan. Met de auto natuurlijk!, roept hij uit.
Zo snel als zijn Plutosloffen hem kunnen dragen, wankelt Paul naar zijn auto.

zaterdag 1 juni 2013

Het geheimzinnige land

Omdat ik onlangs een samenwerkingsverband heb gesloten met een travel agent op Corfu, moet ik al hun excursies doen. Ze willen namelijk mooie foto’s hebben en soms lukt het mij er een te schieten. Goed voor hun en goed voor mij, want ik zet alle excursies natuurlijk op Green Island, dus extra content. Een win-win situatie.
Dus koos ik deze keer voor een excursie naar Albanië. Over dit geheimzinnige landje, buurman van Griekenland en op een steenworp afstand van Corfu, is niet heel veel bekend, dus ik wilde het graag eens ontdekken. Bestemming is de historische stad Butrint.

Als we eenmaal naar Agii Saranda onderweg zijn met de Santa III, een van de zogenaamde Dolphin-boten van Ionian Cruises, wordt al snel duidelijk dat ook deze keer het weer weigert zich van zijn beste kant te laten zien. Het is grauw, grijs en zwaar bewolkt, zo ver het oog reikt. Dat merkwaardige verschijnsel doet zich dus ook voor tijdens de derde excursie die ik voor Messonghi Travel Center maak. Grrrr, het lijkt wel of er een vloek op mijn uitstapjes rust. Naar Meteora hebben we zelfs nog even zware regen meegemaakt en was het zeker geen fotoweer. Naar Paxos bleef het dan wel droog, maar mooie blauwe luchten afgewisseld met hier en daar een lieflijk wit wolkje zat er ook toen niet in. De derde excursie (naar Albanië dus) werd een week eerder afgeblazen vanwege noodweer. En bij de vierde poging, eind mei nota bene, is het weer uien! Onbegrijpelijk en zeer frustrerend. Het weer in Europa is flink van slag.

Maar ik laat me niet kennen, we gaan er gewoon het beste van maken. Komt bij dat ik zo vaak mee mag als ik wil, zolang er maar mooie foto’s komen. Nou, lukt dat vandaag niet dan toch een volgende keer.
Agii Saranda, kort gezegd Saranda, is de dichtsbijzijnde haven van Albanië. Als ik voet aan land zet, wordt duidelijk dat Saranda niet die mooie plaats is die het lijkt als je het vanaf Corfu ziet. Vanuit de verte ziet het er imposant uit, van dichtbij wordt pijnlijk duidelijk dat de meeste investeerders zich niets gelegen hebben laten liggen aan architectonische hoogstandjes. Wat een verzameling smakeloze blokkendozen bij elkaar zeg! Allemaal zeer dicht op elkaar gebouwd, lijken ze elkaar te verdringen voor een beetje zeezicht.
Als we eenmaal met de bus door de stad rijden, wordt dit idee versterkt. Grote delen van de stad lijken op een enorme bouwval. Overal onvoltooide appartementecomplexen, vervallen hotels, lijken van flats, bouwputten en afval. De stad is zo’n lelijk ettergezwel geworden dat zelfs de Albanese overheid inmiddels in de gaten heeft dat het zo niet langer kan. Er zijn grootse plannen om de stad een grondige opknapbeurt te geven, maar het benodigde geld ontbreekt. Nou ja, als de wil er maar is.
Oorzaak van de wildgroei aan vakantieaccommodatie ligt in de vroege jaren 90, toen de democratie schoorvoetend vorm aannam. Vrije handel was ineens mogelijk, iets wat enkele jaren daarvoor nog voor onmogelijk werd gehouden. Veel Albanese vluchtelingen zagen hun kans schoon om rijk te worden aan het opbloeiende toerisme. Velen stuurden vanuit het buitenland geld naar achtergebleven familieleden met de opdracht een hotel te bouwen.
Nou, dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Er werd een stuk grond afgepaald - wie het eerst kwam eigende zich gewoon een perceel toe - en begon palen de grond in te rammen. Vaak niet gehinderd door enige kennis van bouwkunst, architectuur of toerisme werden miljoenen kubieke meters beton tot ‘vakantieoorden’ gevormd.
Overal in, op, onder en tussen de onafgemaakte gebouwen staan oude wrakken van auto’s en opeenhopingen van bouwmateriaal en puin. Bij elk betonnen monster dat we passeren, en dat zijn er een paar, moet ik onwillekeurig denken aan de titel van Fassbinders omstreden toneelstuk Het vuil, de stad en de dood.
Maar dan laten we Saranda achter ons en opent zich een mooi landschap enerzijds en enkele kleine dorpen aan de rechterkant. Ook in deze nederzettingen overheerst de armoede en het verval. Waar je ook kijkt, overal zijn bouwvallen te zien. Zelfs zie ik een huis dat in zijn geheel voorover gevallen is. De pilaren waarop het gebouwd werd, hebben het waarschijnlijk begeven en het huis is op zijn kin gevallen. Er moet wel iets goed gegaan zijn tijdens de bouw want het huis is niet in tweeën gebroken, zoals je zou verwachten.
De gids, een trotse Albanese die breedvoerig en enthousiast vertelt over de ontwikkelingen in haar vaderland, legt uit dat de overheid zich inmiddels bemoeit met de horizonvervuiling. De bemoeienis bestaat erin dat veel betonnen skeletten ondersteboven getrokken worden. Inderdaad komen we onderweg verschillende ingestortte en geknakte huizen tegen. Hoezo recycling?
Toch is de weg waarover we ons begeven best goed. Netjes geasfalteerd en met een opstaande betonscheiding die moet voorkomen dat rotsen en andere obstakels uit de bergwand op het baanvak terecht komen. Dat werkt niet overal even goed, aan de vele rotsblokken op de weg te zien. Komt nog eens bij dat we regelmatig loslopende koeien langs de snelweg passeren. De omstandigheden zijn dermate gebrekkig dat zelfs de buschauffeur langzaam rijdt. Om daar in donker te rijden lijkt mij een hele uitdaging.

Butrint ligt niet heel ver van Saranda want na slechts een half uurtje bussen stappen we uit bij dit bekende schiereiland met de historische vondsten. We worden gelijk belaagd door Albanese kinderen die graag hun hele voorraad kettinkjes, armbanden en andere snuisterijen willen slijten. Een ding wordt snel duidelijk, they don’t take NO for an answer. Ik heb een meisje van een jaar of tien en een iets jonger jongetje aan mij vastgekleefd. Ze zijn vasthoudender dan zeepokken. Tot mijn verbazing spreken beiden heel behoorlijk Engels. Het meisje is een schoonheid in de dop en ik koop een armbandje van haar, op voorwaarde dat ik een foto van haar mag maken. Dat vindt ze prima en zowaar verruilt ze haar zakelijk zorgelijke blik even voor iets dat voor een glimlachje door moet gaan. Ze poseert zelfs een beetje voor me.
Maar dan moet er gewerkt worden en even later heb ik het heiligdom voor Asclepius, de god van de geneeskunst, in mijn zoeker. Een prachtig gebouw, erg mooi gerenoveerd. Dat mag ook wel, er zijn heel wat EU-centen gespendeerd om Butrint tot de toeristische attractie om te toveren die het nu is. De zeer oude overblijfselen van onder andere een theater (3e eeuw voor Christus), het Romeinse stadhuis (5e eeuw), een vroeg-Christelijke kerk genaamd The Great Basilica uit de 6e eeuw, een prachtig Venetiaans kasteel dat in de middeleeuwen gebouwd werd, en verschillende andere oudheden zijn alle van grote schoonheid.
Geheel volgens de verwachting raak ik al snel de groep kwijt en op een tweesprong weet ik niet welke kant ik op moet om weer aan te haken. Gelukkig zit daar een niveau hoger Johnny Warrander, een Schotse Schilder die de prachtige omgeving in verf probeert te vangen. Hij weet mij te vertellen welke kant ik op moet. Met die geruststelling op zak neem ik de tijd om met hem een praatje te maken over de zin en onzin van het leven. Ook de verschillen tussen Corfu en Albanië en de overeenkomsten tussen Schotten en Nederlanders en andere belangrijke zaken komen aan bod. We kennen elkaar al jaren. Lijkt het.
Maar dan moet ik toch echt verder want ik wil niet terug lopen naar Saranda. Tijdens de vorige excursies heb ik al een bedenkelijke reputatie opgebouwd door telkens hijgend en bezweet als laatste weer bij de bus terug te keren en ik wil niet al te rolbevestigend bezig zijn. Voor je het weet besluiten ze niet meer op mij te wachten en zie je nog net de rokende achterkant van de bus uit beeld verdwijnen.
Ik ben dus voorbeeldig op tijd, al wordt wel direct na mijn verschijnen het vertreksein gegeven.

Na een heerlijke lunch, je zou het ook zomaar diner kunnen noemen, worden we naar het centrum van Saranda gebracht. Daar mogen we nog ruim anderhalf uur zoek brengen alvorens we weer scheep naar Corfu zullen gaan.
Nu was het al opgevallen dat de helft van het wagenpark van Albanië bestaat uit .... Mercedessen. Jawel, het straatbeeld in het zeer arme Albanië wordt bepaald door de auto met de driester. Al moet gezegd worden dat, op een uitzondering na, de meeste een vooroorlogs bouwjaar hebben. Ik besluit er een aantal te fotograferen en binnen de kortste keren zit ik op dertig Mercedessen, de nieuwere niet meegeteld. Alleen in Duitsland rijden er meer, vermoed ik.

Op de terugweg richting ons comfortabele Corfu mag ik op de brug plaats nemen. Desgevraagd vertelt een van de twee stuurmannen mij dat we met een vaart van ruim 30 knopen – bijna 60 kilometer – de wateren van de Ionische Zee doorklieven. Vanwege de speciale bouw van deze zogenaamde Dolphin-boten, met een soort van vleugels aan weerszijden van de boot, gaan we met de gang van de brandweer op de haven van Kerkyra af. Net als bij een speedboot ligt alleen de achterkant in het water, en dat met ruim 130 mensen aan boord!
De stuurman legt uit dat de voorkant van de boot meer dan anderhalve meter boven het water uit steekt. Ik voel mij bevoorrecht. Bevoorrecht en verheven.