Green Island Blog

Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen

vrijdag 22 april 2016

Groene blaadjes

Na een fotoklus in Pelekas, wat is dat toch een prachtig bewaard gebleven afdruk uit een ver verleden, begint mijn maag flink te rammelen. Ik heb een paar uur door het dorp gezworven op zoek naar mooie plaatjes en daarin ben ik niet teleurgesteld. De beloning is dan dat ik mezelf mag tracteren op een heerlijke saganaki. 
Ik wandel op mijn gemak naar beneden. Pelekas is namelijk ‘gelaagd’, wat wil zeggen dat er tussen het hoogste en laagste punt van het dorp een meter of 70 a 80 verschil zit.
Ik stap het terras op van een van de tentjes die gebroederlijk aan het dorpsplein gevestigd zijn en word gelijk vrolijk begroet door Kostas, een man die ik een paar uur daarvoor gefotografeerd heb. Kostas is een goedlachse man, met een weerbarstige haardos en inmiddels bezig aan zijn derde gebit. Hij stelt me voor aan Nikos, een old timer met een schipperspetje, zo mogelijk nog ouder dan hemzelf. Nikos zit aan een naburig tafeltje in een rolstoel. Ik schud hem de hand en desgevraagd stel ik me voor als Dickos. Op mijn vraag Ola kala (Alles goed?), schudt hij nee en wijst op zijn benen. Ik voel met hem mee. Het lijkt mij ook helemaal niks, om, gezien de hoogteverschillen in Pelekas, afhankelijk te zijn van een rolstoel. Voor je het weet ben je een attractie als je weer eens door je remmen gaat. Ik wissel de paar zinnetjes Grieks die ik machtig ben met hem uit en bestel daarna mijn saganaki (kaasgerecht dat vernoemd is naar het pannetje waarin de kaas gebakken wordt) en een flesje water.
In afwachting van mijn lunch kijk ik om me heen en geniet van het leven. Op enkele kilometers afstand ligt Varipatades, nog zo’n schilderachtig plaatsje, te stralen bovenop een berg. Daarvoor een enorm groen dal, hier en daar afgewisseld met kleine concentraties huisjes. Dichterbij, namelijk twee tafeltjes verderop, zitten twee knappe jongedames achter zonnebrillen selfies te nemen. Ik hoor ze Nederlands spreken. Omdat ik nog op mijn bestelling wacht, besluit ik ze aan te spreken.

Mijn kaaslekkernij ligt koud en onaangeroerd op mijn bord, zo druk in gesprek als ik ben met de dames, die Tanya en Rianne blijken te heten. Twee vriendinnen die een weekje op Corfu zijn en het helemaal fantastisch vinden. Ze hebben al veel van het eiland gezien en ik geef ze wat tips over het eiland. En of ze het bekendste drankje van het eiland al geproefd hebben, namelijk Kum Quat (likeur gemaakt van de gelijknamige vrucht). Dat hebben ze nog niet en even later nemen ze hun eerste slok terwijl ik van mijn tsipouro proef.
De dames, beiden afkomstig uit Amsterdam, hebben het met Nederland aardig gehad en zijn bezig hun blik te verruimen. De tredmolen waarin ze zich bevinden, hangt ze aardig de keel uit. Ze hebben meer verwachtingen van het leven dan carrière, een hypotheek en elke drie jaar een nieuwe auto. Beiden zijn zeer onder de indruk van Corfu en dan vooral van het totaalplaatje. Hoe groen het eiland is, vriendelijke mensen, prachtige natuur en het rustige tempo waarin het leven op Corfu zich voltrekt. Met name het verblijf in een omgeving als die waar wij ons op dat moment bevinden, is voor de meiden een geluksfactor die hoog op hun verlanglijstje staat.
De glazen worden nog eens gevuld door de grijsharige eigenaresse van de taverne en we praten honderduit over de zin en onzin van het leven. Hun plannen op dit moment zijn om later in het jaar voor een maand of drie – en zo mogelijk langer – met een camper of oude bestelbus door Australië te toeren. Ik kan niet anders dan bewondering hebben voor de ondernemerslust van deze jonge vrouwen.

De middag is inmiddels bijna ten einde het is tijd om te gaan. Na afgerekend te hebben, staan we gedrieën op, als Nikos, die de hele tijd niet van zijn plek af is geweest, mij wenkt.
Ik loop naar hem toe, schud hem de hand en wens hem een fijne avond. Hij wenkt mij met een kromme vinger dichterbij. Ik neig mijn oor naar hem en hij fluistert iets wat ik niet helemaal begrijp. Wel versta ik ‘Koritsia’ (meisjes). Ouwe snoeperd! Ik zeg tegen Tanya en Rianne dat Nikos graag nog even afscheid wil nemen van hun. Een voor een komen ze aan zijn tafel en geven hem een hand. Hij gooit zijn hoofd schuin in zijn nek en vraagt om een kusje. Lachend voldoen de meiden aan dit verzoek door beide ongeschoren wangen te zoenen. Nikos straalt, hij heeft de dag van zijn leven volgens mij.
Even later staan we gedrieën op straat en ik neem afscheid van de dames. Zonder zoenen. Some guys have all the luck.

zaterdag 1 juni 2013

Het geheimzinnige land

Omdat ik onlangs een samenwerkingsverband heb gesloten met een travel agent op Corfu, moet ik al hun excursies doen. Ze willen namelijk mooie foto’s hebben en soms lukt het mij er een te schieten. Goed voor hun en goed voor mij, want ik zet alle excursies natuurlijk op Green Island, dus extra content. Een win-win situatie.
Dus koos ik deze keer voor een excursie naar Albanië. Over dit geheimzinnige landje, buurman van Griekenland en op een steenworp afstand van Corfu, is niet heel veel bekend, dus ik wilde het graag eens ontdekken. Bestemming is de historische stad Butrint.

Als we eenmaal naar Agii Saranda onderweg zijn met de Santa III, een van de zogenaamde Dolphin-boten van Ionian Cruises, wordt al snel duidelijk dat ook deze keer het weer weigert zich van zijn beste kant te laten zien. Het is grauw, grijs en zwaar bewolkt, zo ver het oog reikt. Dat merkwaardige verschijnsel doet zich dus ook voor tijdens de derde excursie die ik voor Messonghi Travel Center maak. Grrrr, het lijkt wel of er een vloek op mijn uitstapjes rust. Naar Meteora hebben we zelfs nog even zware regen meegemaakt en was het zeker geen fotoweer. Naar Paxos bleef het dan wel droog, maar mooie blauwe luchten afgewisseld met hier en daar een lieflijk wit wolkje zat er ook toen niet in. De derde excursie (naar Albanië dus) werd een week eerder afgeblazen vanwege noodweer. En bij de vierde poging, eind mei nota bene, is het weer uien! Onbegrijpelijk en zeer frustrerend. Het weer in Europa is flink van slag.

Maar ik laat me niet kennen, we gaan er gewoon het beste van maken. Komt bij dat ik zo vaak mee mag als ik wil, zolang er maar mooie foto’s komen. Nou, lukt dat vandaag niet dan toch een volgende keer.
Agii Saranda, kort gezegd Saranda, is de dichtsbijzijnde haven van Albanië. Als ik voet aan land zet, wordt duidelijk dat Saranda niet die mooie plaats is die het lijkt als je het vanaf Corfu ziet. Vanuit de verte ziet het er imposant uit, van dichtbij wordt pijnlijk duidelijk dat de meeste investeerders zich niets gelegen hebben laten liggen aan architectonische hoogstandjes. Wat een verzameling smakeloze blokkendozen bij elkaar zeg! Allemaal zeer dicht op elkaar gebouwd, lijken ze elkaar te verdringen voor een beetje zeezicht.
Als we eenmaal met de bus door de stad rijden, wordt dit idee versterkt. Grote delen van de stad lijken op een enorme bouwval. Overal onvoltooide appartementecomplexen, vervallen hotels, lijken van flats, bouwputten en afval. De stad is zo’n lelijk ettergezwel geworden dat zelfs de Albanese overheid inmiddels in de gaten heeft dat het zo niet langer kan. Er zijn grootse plannen om de stad een grondige opknapbeurt te geven, maar het benodigde geld ontbreekt. Nou ja, als de wil er maar is.
Oorzaak van de wildgroei aan vakantieaccommodatie ligt in de vroege jaren 90, toen de democratie schoorvoetend vorm aannam. Vrije handel was ineens mogelijk, iets wat enkele jaren daarvoor nog voor onmogelijk werd gehouden. Veel Albanese vluchtelingen zagen hun kans schoon om rijk te worden aan het opbloeiende toerisme. Velen stuurden vanuit het buitenland geld naar achtergebleven familieleden met de opdracht een hotel te bouwen.
Nou, dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Er werd een stuk grond afgepaald - wie het eerst kwam eigende zich gewoon een perceel toe - en begon palen de grond in te rammen. Vaak niet gehinderd door enige kennis van bouwkunst, architectuur of toerisme werden miljoenen kubieke meters beton tot ‘vakantieoorden’ gevormd.
Overal in, op, onder en tussen de onafgemaakte gebouwen staan oude wrakken van auto’s en opeenhopingen van bouwmateriaal en puin. Bij elk betonnen monster dat we passeren, en dat zijn er een paar, moet ik onwillekeurig denken aan de titel van Fassbinders omstreden toneelstuk Het vuil, de stad en de dood.
Maar dan laten we Saranda achter ons en opent zich een mooi landschap enerzijds en enkele kleine dorpen aan de rechterkant. Ook in deze nederzettingen overheerst de armoede en het verval. Waar je ook kijkt, overal zijn bouwvallen te zien. Zelfs zie ik een huis dat in zijn geheel voorover gevallen is. De pilaren waarop het gebouwd werd, hebben het waarschijnlijk begeven en het huis is op zijn kin gevallen. Er moet wel iets goed gegaan zijn tijdens de bouw want het huis is niet in tweeën gebroken, zoals je zou verwachten.
De gids, een trotse Albanese die breedvoerig en enthousiast vertelt over de ontwikkelingen in haar vaderland, legt uit dat de overheid zich inmiddels bemoeit met de horizonvervuiling. De bemoeienis bestaat erin dat veel betonnen skeletten ondersteboven getrokken worden. Inderdaad komen we onderweg verschillende ingestortte en geknakte huizen tegen. Hoezo recycling?
Toch is de weg waarover we ons begeven best goed. Netjes geasfalteerd en met een opstaande betonscheiding die moet voorkomen dat rotsen en andere obstakels uit de bergwand op het baanvak terecht komen. Dat werkt niet overal even goed, aan de vele rotsblokken op de weg te zien. Komt nog eens bij dat we regelmatig loslopende koeien langs de snelweg passeren. De omstandigheden zijn dermate gebrekkig dat zelfs de buschauffeur langzaam rijdt. Om daar in donker te rijden lijkt mij een hele uitdaging.

Butrint ligt niet heel ver van Saranda want na slechts een half uurtje bussen stappen we uit bij dit bekende schiereiland met de historische vondsten. We worden gelijk belaagd door Albanese kinderen die graag hun hele voorraad kettinkjes, armbanden en andere snuisterijen willen slijten. Een ding wordt snel duidelijk, they don’t take NO for an answer. Ik heb een meisje van een jaar of tien en een iets jonger jongetje aan mij vastgekleefd. Ze zijn vasthoudender dan zeepokken. Tot mijn verbazing spreken beiden heel behoorlijk Engels. Het meisje is een schoonheid in de dop en ik koop een armbandje van haar, op voorwaarde dat ik een foto van haar mag maken. Dat vindt ze prima en zowaar verruilt ze haar zakelijk zorgelijke blik even voor iets dat voor een glimlachje door moet gaan. Ze poseert zelfs een beetje voor me.
Maar dan moet er gewerkt worden en even later heb ik het heiligdom voor Asclepius, de god van de geneeskunst, in mijn zoeker. Een prachtig gebouw, erg mooi gerenoveerd. Dat mag ook wel, er zijn heel wat EU-centen gespendeerd om Butrint tot de toeristische attractie om te toveren die het nu is. De zeer oude overblijfselen van onder andere een theater (3e eeuw voor Christus), het Romeinse stadhuis (5e eeuw), een vroeg-Christelijke kerk genaamd The Great Basilica uit de 6e eeuw, een prachtig Venetiaans kasteel dat in de middeleeuwen gebouwd werd, en verschillende andere oudheden zijn alle van grote schoonheid.
Geheel volgens de verwachting raak ik al snel de groep kwijt en op een tweesprong weet ik niet welke kant ik op moet om weer aan te haken. Gelukkig zit daar een niveau hoger Johnny Warrander, een Schotse Schilder die de prachtige omgeving in verf probeert te vangen. Hij weet mij te vertellen welke kant ik op moet. Met die geruststelling op zak neem ik de tijd om met hem een praatje te maken over de zin en onzin van het leven. Ook de verschillen tussen Corfu en Albanië en de overeenkomsten tussen Schotten en Nederlanders en andere belangrijke zaken komen aan bod. We kennen elkaar al jaren. Lijkt het.
Maar dan moet ik toch echt verder want ik wil niet terug lopen naar Saranda. Tijdens de vorige excursies heb ik al een bedenkelijke reputatie opgebouwd door telkens hijgend en bezweet als laatste weer bij de bus terug te keren en ik wil niet al te rolbevestigend bezig zijn. Voor je het weet besluiten ze niet meer op mij te wachten en zie je nog net de rokende achterkant van de bus uit beeld verdwijnen.
Ik ben dus voorbeeldig op tijd, al wordt wel direct na mijn verschijnen het vertreksein gegeven.

Na een heerlijke lunch, je zou het ook zomaar diner kunnen noemen, worden we naar het centrum van Saranda gebracht. Daar mogen we nog ruim anderhalf uur zoek brengen alvorens we weer scheep naar Corfu zullen gaan.
Nu was het al opgevallen dat de helft van het wagenpark van Albanië bestaat uit .... Mercedessen. Jawel, het straatbeeld in het zeer arme Albanië wordt bepaald door de auto met de driester. Al moet gezegd worden dat, op een uitzondering na, de meeste een vooroorlogs bouwjaar hebben. Ik besluit er een aantal te fotograferen en binnen de kortste keren zit ik op dertig Mercedessen, de nieuwere niet meegeteld. Alleen in Duitsland rijden er meer, vermoed ik.

Op de terugweg richting ons comfortabele Corfu mag ik op de brug plaats nemen. Desgevraagd vertelt een van de twee stuurmannen mij dat we met een vaart van ruim 30 knopen – bijna 60 kilometer – de wateren van de Ionische Zee doorklieven. Vanwege de speciale bouw van deze zogenaamde Dolphin-boten, met een soort van vleugels aan weerszijden van de boot, gaan we met de gang van de brandweer op de haven van Kerkyra af. Net als bij een speedboot ligt alleen de achterkant in het water, en dat met ruim 130 mensen aan boord!
De stuurman legt uit dat de voorkant van de boot meer dan anderhalve meter boven het water uit steekt. Ik voel mij bevoorrecht. Bevoorrecht en verheven.

zaterdag 30 juni 2012

Maybe just happy


Tijdens een rondje om de kerk met Plati bemerk ik dat het jammer is dat ik mijn camera niet bij me heb. Ons buurdorpje Afra ligt zo mooi afgestoken tegen de heuvelwand dat het gewoon zonde is dat ik er geen plaatje van kan maken.
En dus besluit ik na afloop van de wandeling nog even in de auto te stappen en alsnog Afra vast te leggen voor het nageslacht.
Even voorbij de kerk parkeer ik de auto onder een lommerijke boom. Er staat een lekkere bries, maar in de zon is het flink warm. En ik begin te klikken. Wat een fantastisch mooi eiland is Corfu toch! Honderden keren ben ik er al langs gelopen, maar dit uitzicht verveelt nooit. Ik neem zo nu en dan een geparkeerd paard mee in de voorgrond en even later besluit ik ook nog even de kerk en het naastgelegen kerkhof te kieken.
Ik geniet met volle teugen terwijl ik langs de grote zerken van wit marmer loop. Je wordt je toch weer bewust van het leven, voor zover dat niet het geval was.
Een fotootje nemen worden er een paar meer en een half uur later zit ik weer in de auto. Bij het dorpsplein bedenk ik mij dat ik nu ook mooi een plaatje kan schieten van de taverna waar we wel eens een borrel scoren of soms een hapje eten. De zon staat goed, dus we gaan ervoor.
Terwijl ik sta scherp te stellen, zie ik vanuit een ooghoek dat de naamgever en eigenaar van de taverne, Kostas, voor zijn huisje in de schaduw zit. Prachtig toch? Kan ik hem ook gelijk even vastleggen.
Ik maak een praatje met hem in mijn paar woorden Grieks en verder een mengeling van Duits en Engels en vraag dan of hij het goed vindt dat ik een foto van hem maak. Dat vindt hij prima. Zijn  hond Alfie, vriend van Plati, komt gelijk bij hem liggen en dat maakt het alleen maar mooier.
Als ik een serie geschoten heb, wil ik weer in mijn auto stappen als hij vraagt of ik van wijn houdt. Oh, best wel, antwoord ik. Of ik dan een wijntje wil? Nou, als je ook een ouzootje hebt, zeg ik. Geen probleem, roept hij terwijl hij krakend en kreunend overeind komt en zijn huis in loopt.
Even later komt hij naar buiten met een vrolijk gekleurd aluminium wijnkannetje en twee limonadeglazen. Hm, mijn verzoek om ouzo kwam blijkbaar niet over, maar een kniesoor die daarop let. Hij schenkt de glazen royaal vol en we zetten ons neer in de schaduw. Kostas op zijn plastic kuipstoeltje dat zijn vormen heeft aangenomen en ik op het lage muurtje ernaast. We praten over zijn leven.
 Als jonge jongen werd hij door zijn vader klaargestoomd om de taverna over te nemen. Dat wilde de jonge Kostas niet, hij wilde zijn blik verruimen en de wereld ontdekken. Dus ging hij tegen de wens van zijn vader naar Duitsland en werkte daar in een restaurant. Maar na drie jaar van zwoegen en zweten voor een paar carobbepeulen en een habbekrats had hij het wel gezien en kwam met hangende pootjes terug naar Corfu. En hij schoor zich en hij trouwde en werd eigenaar van de taverna waar tegenover wij ons bevinden.
You like fish?, vraagt hij na een slok. Mwah, niet echt, zeg ik. Zalm gaat er wel in en voor een heerlijke tonijnsalade mogen ze me wakker maken, maar voor de rest, nee. OK, dan zal hij even wat mèzes (Griekse hapjes) halen. Ohoh, als dat maar goed gaat. En ja hoor, daar komt hij al aan met een bordje met vier ontkopte vissen met alles er nog op, aan en in.
Specialty, zegt hij, zet het bordje tussen ons in en overhandigt mij een servetje. Look, zegt hij en scheurt een visje bij de buik open. In een handige beweging rukt hij de hele ruggengraat eruit en gooit die naar Alfie. Die bekijkt het ding wat twijfelachtig maar begint dan traag te knagen.
Ik laat me niet kennen, zet mijn vingers in de onderkant van de vis en begin te scheuren. Wat ik zie stemt mij niet vrolijk. Zelfs mijn vader gooide hiervan het meeste weg. Tussen wat vage onderdelen door zie ik de graat zitten en begin te trekken. Het kreng versplintert direct en ik zit letterlijk met de brokken. Ik pulk een paar stukken graat naar buiten en graai wild om me heen in de hoop zoveel mogelijk inhoud van de vis aan Alfie te geven. Dan zie ik wat liggen waarvan ik denk: had dat beest zich niet eerst leeg kunnen schijten alvorens gevangen te worden? Mijn vingers gaan koortsachtig door het inwendige van de ‘Specialty’ heen en ik peuter een bruin voorwerp los dat ik naar de hond gooi. Die snuffelt er eens aan en begint daarna uitvoerig zijn ballen te likken.
Kostas schenkt mijn glas goddank nog eens vol en kijkt mij verwachtingsvol aan. Ik kan er nu echt niet meer onderuit en neem een hap van wat het meest op een filetje lijkt. Zoals het ding eruit ziet, smaakt hij ook: naar vis. You like?, vraagt Kostas. Mmmm, brom ik en spoel een en ander weg met een flinke slok wijn. Nog even volhouden Dick, houd ik mezelf voor. Een moet je er in ieder geval mannen. Ik morrel aan een wat vasthoudend orgaan dat na enig tegensputteren los raakt van de vis. Ik bid in stilte dat Kostas het niet ziet en zegt dat dit het lekkerste gedeelte is en smijt het snel naar Alfie. Hij keurt het niet eens een blik waardig en legt zijn kop met een diepe zucht op de grond.
Na minutenlang malen en dralen ben ik eindelijk door mijn eerste beproeving heen. Ik neem er maar eens een slok op en beraad mij op mijn strategie. Dan krijg ik onbedoeld hulp van Kostas. Hij biedt mij de overige twee vissen aan. Take, zegt hij. You first, antwoord ik. Nono, just had lunch, zegt hij terwijl hij met zijn servetje zwaait. Briljant! Ik dus ook. Hij dringt nog een keer aan, maar beslist weer ik af, ik zit nog vol.
Snel leeg ik mijn glas om erger te voorkomen en stap op. Ik vertel hem dat ik hoognodig weer aan het werk moet en we bedanken elkaar uitbundig voor het prettig samenzijn.
Ik toeter als ik wegrijd en hij zwaait uitbundig. Heerlijke mensen, heerlijk eiland...

zaterdag 5 mei 2012

Lente!


Het is weer mei op Corfu en dus? Vlindertijd! Wat een genot is het toch om die vrolijke, maar tegelijkertijd nijvere beestjes rond te zien fladderen. In hoog tempo worden alle bloemetjes dartelend aangedaan. Vertoont zich een soortgenoot in hetzelfde stukje luchtruim dan is het helemaal feest. Soms zie je dan dat ze even om elkaar heen cirkelen en dan hoor je ze gewoon zeggen: your place or mine? Vlinderen noem ik dat.
Nu hebben wij hier op Corfu in het binnenland een zogenaamd verlaten dorp, dat in een prachtig rustig landschap ligt. Schitterend hoor, maar laten die vlinders zich daar nou vreselijk in hun element voelen! De mooiste soorten kom je daar tegen terwijl ze zich tegoed doen aan de miljoenen bloemen en elkaar.
Wij daar dus heen op een mooie zaterdag in mei. Na een mooie rit over de Troumbeta (een pas midden op Corfu) storten wij ons in de binnenlanden van Corfu, langs plaatsjes als Skripero, Chorepiskopei, Stakera en andere schilderachtige namen. Dan komen we bij de noordkust van Corfu uit, Roda en daarna Acharavi, waar wij verliefd werden op het eiland. Prachtige rit op een zonovergoten dag.
We ronden de Noord en vervolgen onze route even later langs de oostelijke kustweg tot we bij de afslag Perithia komen. Eerst door Kato (laag) Perithia, dan door Loutses, met zijn prachtige grotten. Even later stuiteren we over een vreselijk slecht stukje weg, dat na twee kilometer gelukkig overgaat in asfalt. En we stijgen en we stijgen en genieten weer van de schitterend beklede berghellingen en al het overige moois dat Corfu te bieden heeft. Hoe vaak zijn we al niet in Perithia geweest? En toch gaan we elke keer weer met plezier naar dit bijzondere stukje Historisch Corfu.
Dan is daar eindelijk de blikvanger van de omgeving, de roze klokketoren van de kerk van Perithia. Daar schiet ik mijn eerste foto, niet van een gevleugelde vlinder, maar van mijn eigen vlindertje Mirjam.
Even later ziet zij de eerste vlinder, een pracht zwartwit exemplaar met sierlijke tekening, vrolijk door het zwerk fladderen. Dat belooft veel goeds en zo blij als een hond met zeven staarten storten wij ons op het pad.

Maar we komen bedrogen uit. Er zijn veel vlinders, maar bijna allemaal van een en dezelfde soort. Mooi hoor en ik klik er lustig op los, maar de variatie is niet om over naar huis te schrijven. Blijkbaar is het nog te vroeg in het jaar, de rest van de vlinders moet nog wakker worden.
Toch hebben we een schitterende wandeling door het woeste natuurgebied van Perithia en omgeving. Prachtige vergezichten, berghellingen onder tapijten van duizend tinten groen, geel en paars, zeeën van bloemen en glooiende groene weiden afgewisseld met woeste rotsformaties. En overal dat betoverende azuren dak erboven. 
Heerlijke tijdsbesteding om daar rond te dwalen. Maar dan!

We hebben onszelf een lekkere lunch beloofd bij Foros, een van de zes (6!) restaurants in het verlaten dorp. Foros is al sinds de jaren negentig gevestigd in Perithia en heeft een uitstekende naam. De volgers (lees: imitators) proberen allemaal een graantje mee te pikken, maar dat wekt toch wat wrevel bij mensen. De eerste drie restaurants lopen we dus, terwijl we vriendelijk begroet worden, straal voorbij en komen door een nauw straatje met verlaten huizen op een pleintje uit waar de andere drie restaurants hun klanten proberen te veroveren.
Wij hebben onze keuze al gemaakt en ploffen dus neer onder de druivenranken van Foros. Het is goed rusten na gedane zaken en we laten ons het koele water lekker smaken. Ook Plati slobbert gulzig uit een plastic bak en speelt wat met de plaatselijke honden.
De maaltijd van tonijnsalade, saganaki, uientaart en kolikythia gaat er in als koek en wordt weggespoeld met een biertje en rode wijn.
Na de maaltijd maken we een praatje met de eigenaar, die luistert naar de naam Thomas Siriotis. Op onze vragen vertelt hij honderduit over het verleden van Perithia en weet van veel huizen de achtergrond te verhalen. Terwijl hij vertelt, zit hij voortdurend op een wit kaartje te krabbelen, maar dit weerhoudt hem er niet van de geschiedenis van Perithia vanaf de veertiende tot de twintigste eeuw in een notendop te stoppen.
Dan ineens heft hij het hoofd en overhandigt ons het witte kaartje waarop hij zo nijver zat te krabbelen. Het is zijn visitekaartje, dat hij tijdens onze geschiedenisles even getekend heeft.

Het meest luxe visitekaartje, gedrukt op het duurste papier, door een topdesigner ontworpen volgens de richtlijnen van de moderne presentatie, kan geen betere indruk achterlaten dan dit exemplaar.
Business Card Foros Restaurant Perithia Corfu

maandag 27 februari 2012

Uitzien naar uitzicht


Goddelijk uitzicht vanaf de berg Stavros, lazen wij in de gids met wandelingen op Corfu. Nou, als dat geen aanbeveling is. Dat goddelijke zal wel meevallen. Het te behalen doel is namelijk een kloostertje en de bewoners van dergelijke gebouwen hebben meestal niet veel met God op. Maar dat doet niets aan het uitzicht af, dus we gaan ervoor.
Wel is het een wandeling in categorie 2, op een schaal van 3, waarschuwt de gids. Een kleine tien kilometer, met veel onverharde paden en stijgingen tot wel 400 meter. Ach, met een hond wandel je dagelijks, dus dat moeten we wel kunnen hebben. Ook al is het een van de eerste wandelingen van 2012. De wandelstappers dus aan en wij op weg naar Strongili, een dorpje dat ingesloten is tussen een aantal bergen.
Op aanwijzing van de gids vinden wij het pad waar onze wandeltocht begint. Het weer werkt aan alle kanten mee, het is een schitterende dag met een temperatuur van rond de 20 graden, dus het belooft een mooie wandeling te worden. Plati gaat ons kwispelend voor als wij het licht stijgende pad betreden.

Na enkele minuten wandelen, vinden wij het eerste herkenningspunt, een kleine kerk met daarvoor de begraafplaats. Plati rent enthousiast tussen de zerken en vervallen graven door, wat ik niet zo’n goed idee vind. Straks komt ze nog met een kluif aan, dus we roepen haar snel bij ons en vervolgen onze weg.
Een stiefkwartiertje later arriveren we bij het volgende referentiepunt. Een kerk, hoe kan het ook anders. Dit is waarschijnlijk meer een familiekerk (veel Griekse families hebben hun eigen kerk), want er is alleen een klein begraafplaatsje met enkele graven. Bij de ingang is een graf tegen de kerkmuur aan gemetseld en bij de entree van het terrein ligt nog een grafsteen. Het is er heerlijk rustig en terwijl ik even een paar plaatjes schiet, geniet Mirjam van de warme zonnestralen.
Maar de echte wandeling moet nog beginnen, dus al snel gaan we op zoek naar het volgende herkenningspunt. Door olijfgaarden, langs reuzencactussen en cipressen gaan we steeds verder landinwaarts. Net als we een olijfgaard verlaten en door de volle zon verblind worden, komt er een stokoude pick-up de berg afrollen, motor uit. Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen. In het autootje zit een setje bejaarden die de auto waarschijnlijk nieuw gekocht hebben. Na hun trouwen in 1926. Maar een heel leuk en vriendelijk stel want ze zetten de auto knarsend stil en vragen waar we heen gaan. Naar de Moni Pantokrator, zeggen wij. Ah, poli oreo (heel mooi), zeggen de oudjes in koor. Dan begint hij ons uit te leggen hoe we moeten lopen. Mirjam toont hem onze routebeschrijving, maar die keurt hij geen blik waardig, we kunnen maar beter op zijn beschrijving afgaan. Verschillende malen vangen we het woord ecclisia op, dus we zullen nog wel een paar kerken tegenkomen. We bedanken ze uitbundig en vervolgen onze route weer.
Inderdaad komen we na enkele kilometers weer een kerkje tegen. Waanzinnig uitzicht over een dal met daarachter de bergketen die de westkust van Corfu aan ons zicht onttrekt.
Weer begeven wij ons door de rijke olijfgaarden (in het binnenland van Corfu staat verreweg het grootste gedeelte van de pakbeet vijf miljoen olijfbomen die het eiland telt) en genieten van de stilte, die alleen zo nu en dan doorbroken wordt door een blaffende hond of een verdwaalde kippenkreet.
Geheel volgens het boekje komen we na een uur wandelen, waarbij we al die tijd flink gestegen zijn, in de buitengebieden van Komianata en Dafnata, twee mini bergdorpjes die in elkaar overlopen en ogenschijnlijk van God en alleman afgesneden zijn. Wij hebben tenminste geen verharde wegen kunnen ontdekken. Misschien is het alleen vanaf de andere kant van de berg waartegen het aangeplakt is, te bereiken.
Kommiedoen?
We worden opgewacht door de vrouw van de burgemeester, die ons hartelijk welkom heet. Tja, zo vaak krijgen ze geen bezoek. Het doel van onze tocht, wil ze weten. Als wij het klooster noemen, lichten haar achter jampotglazen gestoken ogen op. Ook volgens haar is het alleszins de moeite waard.
We doorkruisen de smalle straatjes, vergapen ons aan de snoeioude huisjes, waarderen de vriendelijkheid van de mensen - zonder uitzondering lopen ze allemaal tegen de honderd – en vragen ons af of deze mensen ooit hun dorp wel eens verlaten hebben.
Na uitgezwaaid te zijn door de voltallige bevolking start de wandeling pas echt. Via een rotsachtig pad, wat absoluut ontraden moet worden aan rolstoelgebruikers, slingeren we door prachtige natuur naar boven. Na een bocht menen we het kloostertje te zien liggen. Hoog inderdaad, prachtig wit afgetekend tegen een stralend helderblauwe lucht.
Hm, dat wordt nog een pittige tippel. Zeker als al snel blijkt dat wij ons vergist hebben. Het klooster ligt nog hoger en een heel eind verderop. Het witte gebouwtje dat wij voor een klooster versleten, blijkt een gewoon huis te zijn, schitterend gesitueerd bovenop een berg. Je moet wel van lezen houden, schiet het door mij heen als ik het huisje zie afsteken tegen de hemel.
Het pad wordt steeds ruwer en moeilijker begaanbaar. Het door veel groen omgeven slingerpad is bezaaid met losliggende rotsen, keien en stenen. Oppassen dus dat we niets verzwikken of dat je ineens bij je enkels afbreekt want dan heb je echt een probleem. Een helikopter lijkt het meest voor de hand liggende transportmiddel om dan opgehaald te worden.
Van het klooster geen spoor, wel zien we dat de bergwand voor ons een pad vertoont. We dalen weer flink af, wat lekker is na het vele stijgen. Helaas gaat het daarna weer steil omhoog. Maar we zijn nog jong en we laten ons niet kennen. Wel zijn we bijna door ons water heen, want de zon schijnt op ons bolletje, en we hebben geen parasolletje. Wat is water dan toch lekker.
Inmiddels beginnen onze kuiten een beetje te vlammen. Na de afdaling kwam toch echt weer de stijging en dat nog eens over moeilijk begaanbaar terrein. Het doet ons denken aan de wandeling naar Porto Timonei, de tweelingbaai aan de westkust van Corfu. Dit is alleen wel een langer traject, veel langer.
Maar dan krijgen we toch waar we voor gekomen zijn! Eindelijk komt het klooster in zicht. Op een vooruitgeschoven klif van de berg Stavros, hoog torenend boven het schitterende dal, prijkt het klooster Moni Pantokrator. Betekent niet dat we er al zijn, we moeten eerst nog een fiks terrein doorkruisen en dat gaat steeds meer zeer doen.
Na nog eens een kwartier zwikken en zwalken arriveren we dan eindelijk bij het doel van de reis. Het gebouwtje is enigszins teleurstellend, met een klein huisje ervoor en het klooster – van zeer bescheiden afmetingen – zelf. Maar het uitzicht en de omgeving is zoals beloofd prachtig.
We laten onze laatste druppels water en een paar meegebrachte boterhammen goed smaken en geven onze geteisterde kuiten wat rust. Maar dan moeten we toch echt de terugweg gaan aanvaarden. We willen het laatste stuk door donkere olijfbossen en overwoekerde paden niet in het duister afleggen.
De routekaart verwijst ons via de andere kant van de berg weer terug naar Komianata. Het is natuurlijk leuk dat je hetzelfde traject niet weer helemaal terug hoeft, maar we moeten wel weer omhoog. Dat wordt ons bijna teveel, regelmatig moeten we even stilhouden om bloed te spugen en onze raspende longen rust te gunnen. Komt bij dat Mirjam niet haar beste wandelschoenen aan heeft en flink last van haar enkels begint te krijgen. Het terrein is ook niet bepaald een biljartlaken, al is er veel groen te genieten.
We komen bij een punt dat we de heenroute door de bergen kunnen zien. Het pad steekt duidelijk af tegen de groene berghelling. En we kunnen tegelijk zien dat dit pad geconnecteerd wordt door een pad dat zich afsplitst van het traject dat ons nog wacht. Volgens onze berekeningen snijden we een pittig stuk af als we dit sluipweggetje nemen. Maar het houdt ook in dat we een van de hoogtepunten van de wandeling, een schitterend uitzicht op de oostkant van Corfu, niet te zien krijgen. Corfu Stad, de luchthaven en de naastgelegen lagune met op de achtergrond de Pantokrator (de enige echte) zijn op een bepaald punt allemaal in een oogopslag te bewonderen. En dat trekt toch ook wel. We laten het aan het moment over en vervolgen met knikkende knieën en kabbelende kuiten onze weg.
Eenmaal bij de splitsing verkeren we in dilemma. Gaan we vals spelen en snijden we een stuk af, of gaan we voor het vergezicht over Corfu? De eerste optie leidt omlaag, de tweede gaat weer omhoog. Mirjam, die flink opspelende enkels heeft, is best bereid tot vals spelen. Maar met de zon in de rug zou ik wel heel mooie foto’s kunnen maken natuurlijk. Ik besluit alleen een stukje omhoog te lopen om te zien of het traject achter de bocht het weergaloze uitzicht biedt, of dat we nog verder moeten stijgen.
Even later breng ik verslag uit, we kunnen maar beter naar beneden gaan. Er wachten nog enkele beklimmingen en ik kon niet ontdekken hoeveel nog alvorens de afdaling weer in te zetten. We gaan dus naar beneden.
Afdalen lijkt minder vermoeiend en sec gezien klopt dit ook. Je hoeft niet de hele tijd je eigen gewicht omhoog te slepen. Maar voor je kuiten, knieën en heupen is een ferme afdaling de pest. Komt bij dat ik mijn teennagels had moeten knippen. Mijn tenen gillen het uit van de druk van mijn volledige gewicht tegen de neus van mijn schoenen. Mirjam is solidair en verzwikt halverwege de helse rit haar enkel, dus zijn we dolblij dat we na vierenhalf uur strompelen en zwoegen weer bij de auto zijn.
En dan te mogen zitten!

zaterdag 29 oktober 2011

De vlucht

U bent drie kilo te zwaar mijnheer, spreekt het onberispelijk geklede, gekapte en opgemaakte meisje vanonder haar tuttige blauwe luchtvaarthoedje. Het is drie uur ’s nachts.
In een flits schieten mij twee snedige antwoorden te binnen. Het eerste: Goh, mijn dokter zegt altijd twintig. Het tweede: Kijk naar je eigah. Ze is niet heel vadsig, maar haar benen hebben een neiging tot zwaar.
Maar omdat ze een heel lief stemmetje heeft en ook maar haar werk doet, zeg ik: Ah, en kan ik daar nog wat aan doen?
Ze legt geduldig uit dat ik wat gewicht van de koffer zou kunnen overhevelen naar de handbagage. Gaat dat lukken, denkt u? Vestzak broekzak dus, het gewicht zal hoe dan ook het vliegtuig drukken. Omdat wij de laatste rechtstreekse vlucht naar Corfu hebben, is de verwachting dat het vliegtuig nog niet voor de helft gevuld zal zijn. Ik twijfel of zij hiervan op de hoogte is, maar val toch voor haar vriendelijke charme en til de koffer van de band. Dankuwel mevrouw, roep ik met mijn meest koffiebruine stem. Gevolg van de laatste borrel uit de fles en een doorwaakte nacht zonder slaap. Net als ik mij gehoorzaam om draai, roept ze mij na dat ik niet meer in de rij hoef te wachten, maar zo door mag lopen als ik klaar ben. Lief kind.
Even later staan Mirjam en ik te wikken en te wegen wat allemaal in de meegebrachte plastic zak mag en wat niet. De jenever en whisky mogen niet mee in de handbagage, jammer maar helaas. Maar drop, en, oh, Hemaworsten wel! Zo, dat scheelt gewicht. Ook enkele snuisterijen die we voor vrienden meenemen, moeten er aan geloven. De plastic zak kan bovenop de trolley met de laptop en ik besluit de gok te wagen. Ik weet niet of ze me nog een tweede kans geeft.
Nu blijkt de koffer wel mee te mogen zonder je scheel te betalen aan overgewicht. Keurig mijnheer, zingt ze vriendelijk en vrolijk. Ze wijst met een lief vingertje aan waar we door customs heen kunnen. Ze heeft geen hekel aan haar werk, zelfs niet midden in de nacht.

Even later naderen we gate C11 en zien een handvol mensen zitten wachten tot de ticketcontrole. Al snel wordt duidelijk dat wij de laatsten zijn. Wij zullen dus met acht personen dat immense vliegtuig bemannen. Ga je met de bus dan pakken ze een Transit, maar wij zullen gewoon met de Boeing 737 gaan.

Nederland is mooi, zo zien wij in de heldere nacht een paar honderd meter boven Amsterdam. Zo geordend, georganiseerd en gelijkmatig. Heel anders dan wat we gewend zijn op Corfu. Maar ook dat heeft zijn charme.
Al snel verliezen we onze aandacht voor de laagbijdegrondse activiteiten als we door het wolkendek heen knallen en grijsgetinte balen watten ons insluiten. Dat was dus Nederland.
Het is een vreemd gezicht, zo’n bijna lege kist. Honderdzesentachtig stoelen en er zijn er welgeteld acht van bezet. Zo’n beetje als een luciferdoosje waar er nog een of twee in zitten. Nou ja, des te zuiniger zijn ze op je. Een beetje VIP, zeg maar.
Dat merken wij als de vroegkale perser zich enkele vrijheden tegenover zijn passagiers veroorlooft. Hij gooit zo nu en dan een kwinkslag in zijn verhaal over vliegen, veiligheid, verdrinken en het voorkomen daarvan als je neerstort. Toch blijft hij vormelijk en beleefd en vertelt zijn hele geroutineerde verhaal ook in aalglad Engels.
Na een kwartiertje is hij het echter zat te acteren dat er wat hem betreft niets geks is aan een Boeing 737 met acht passagiers en gaat in een comfortabele stoel onderuit gezakt naar de film kijken die hij zelf heeft opgezet. Als hij zich maar niet zo thuisvoelt dat hij, a la Al Bundy, een hand in zijn broek steekt, met de andere een zak paprikachips opentrekt en deze ruftend en boerend naar binnen gaat zitten proppen.
De lieftallige jongedames die tot zijn crew behoren, zijn duidelijk niet gewend aan de bijzonderheden van een laatste rechtstreekse vlucht naar Corfu. Wat onwennig giechelend wandelen ze door het gangpad om te vragen of de passagiers verblijd willen worden met de speciale aanbiedingen van de vliegmaatschappij. Geheel volgens de verwachting wil geen sterveling hieraan meewerken. Het leven is al duur genoeg, daar heb je TransAvia niet voor nodig. Op een volle kist zitten er normaliter altijd wel een paar tussen die nog nooit gevlogen hebben en denken dat de luxe artikelen echt zonder belasting aangeschaft kunnen worden. Aan de huidige doorgewinterde passagiersgroep raken ze echter geen knoopsgat kwijt. Ook de oploskoffie is niet te slijten en al snel zijn de dames buitenbeeld en laten zich niet eerder dan bij het verlaten van het vliegtuig weer zien.
Een lid van de cabinecrew blijft echter serieus onder de facade. Het is een jonge knul met een honderd dollar kapsel, al heeft hij speciaal voor deze gelegenheid er ook nog eens een modieus aangebrachte vleug donkerbruin tegenaan gesmeten, wat hem nog eens vijftig ballen extra gekost heeft. Minimaal een hotero (man met vrouwelijke trekjes als het gaat om uiterlijke verzorging) weet ik zeker.
Zijn geoefende glimlach is zo op zijn correcte gelaat gebikt dat het niet eens zeer meer doet bij hem. Zo’n niet te verwoesten glimlach krijg je volgens mij alleen na heel lang en veel oefenen. Een glimlach waar je tegenwoordig in Nederland zomaar voor in elkaar geslagen kan worden. Ook deze jongen heeft zijn dag wel eens niet, dat kan niet anders. Natuurlijk jeuken zijn handen als er weer eens zo’n jeugdig ADHD-er (Alle Dagen Heel Druk) met jengelende stem solliciteert naar een paar hijsen voor zijn harses. Vanzelfsprekend moet hij zich beheersen om niet tegen zo’n etterpuist te schreeuwen: Nu ophouden of we zetten je buiten!
Het zou mij zelfs niet verbazen als hij sommige kinderen of hun verwekkers het liefst in het landingsgestel zou willen plaatsen omdat hij ze een langzame en gruwelijke dood toewenst. Gewoon uit het vliegtuig gooien is, ondanks zijn buitengewone serviliteit, voor sommige lamstralen een veel te lichte straf. Maar die grimlach laat hem nooit in de steek en is zijn pantser. Bij de zoveelste zeurderige proleet zal hij zijn gebit zo mogelijk nog verder bloot lachen, bij elk hinderlijk kinderlijk gedrein zal hij gewillig zijn temperament onderdrukken en veilig achter zijn glimlach.
Ah, daar komt hij aan met een stapeltje dekentjes en kussens. Wilt u een kussen mijnheer?, vraagt hij poeslief. Ik knik. Dekentje erbij? We hebben genoeg vandaag! Voor ik kan reageren ontdoet hij de deken van het plastic en overhandigt het mij. Die wordt nog eens directeur van TransAvia.

woensdag 5 oktober 2011

We could be heroes

Het zal iedereen die regelmatig op vakantie is op Corfu, of waar dan ook in Griekenland, zijn opgevallen dat het hele eiland bezaaid is met zogenaamde heiligenhuisjes (door mij zo genoemd, in werkelijk heten ze Ikonostasie - Ikoon = Heilig, Stasie = Gedenkplaats). Kleine vierkante kastjes van uiteenlopend formaat en materiaal, rustend op een sokkel en variërend van zeer luxe tot goedkoop en vervallen. Doen ze in ieder geval nog dienst als vogelhuisje, merkte mijn vrouw eens op.
Zo'n huisje is door de nabestaanden van een verkeersslachtoffer op de plaats van het ongeluk neergezet. Het hoeft overigens niet altijd een dode te zijn die vertegenwoordigd wordt door zo'n huisje. Het kan ook een dankteken zijn als het slachtoffer het overleefd heeft. Dan staat er geen kruis op. De meeste kapelletjes zijn echter met kruis, wat impliceert dat er op Corfu heel wat te betreuren valt. Ook als het huisje geen kruis heeft, is er alle reden voor rouw. Vanwege de erbarmelijke staat van veel ziekenhuizen in Griekenland prefereren de meeste slachtoffers de dood. De kleine huisjes worden onderhouden door familie zolang het in hun vermogen ligt.
Het is voor de gelovige Griek - en dat zijn ze allemaal, al laten ze er niet veel van merken - heel belangrijk om op de plaats van het ongeval een dergelijk huisje op te trekken. Dat heeft alles te maken met de lange reis naar boven. Feit is dat het huisje voorzien is van alle hulpmiddelen die een overledene zich maar kan wensen: eten en drinken, kaars- of lamplicht, boeken, een foto van zichzelf zodat hij zich voor de geest kan halen hoe hij er op dit ondermaanse uitzag en wat andere persoonlijke voorwerpen waar hij tijdens zijn aardse bestaan aan gehecht was. Mits van klein formaat zodat ze in het huisje passen. Een PlayStation of X-Box heb ik nog niet gezien, net zomin als mobiele telefoons en CD-walkmans, maar verder kan je er van alles tegenkomen. Dit alles achter een raampje uitgestald, zodat oprukkend vocht en andere weerselementen geen kans hebben. Het lampje - meestal op olie gestookt - moet altijd brandende blijven, vandaar dat er soms een olievaatje achter het huisje staat.
Wat opvalt als je de foto's bekijkt die in de huisjes hangen is dat het altijd om jongens of jonge mannen gaat. Ik heb tenminste niets anders kunnen ontdekken en ik heb er heel wat gezien (en gefotografeerd). Misschien is het ongebruikelijk om voor meisjes een huisje op te richten, of die rijden wellicht wat voorzichtiger. In de haantjescultuur die ook Griekenland niet vreemd is, gok ik er echter op dat meisjes het blijkbaar niet waard zijn om een huisje voor op te richten. Een meisje is namelijk geen stamboomhouder.
Nu hebben dood en leven natuurlijk ons aller aandacht als sterfelijk mens, dus ik sta wel eens op mijn gemak zo'n huisje te bekijken en dan denk je: weer een jong leven dat geofferd is op het Altaar van de Grote Haast. En je bent blij dat het geen bekend gezicht is, laat staan het gezicht van je eigen kind. Want het zal je jong maar wezen!
Je komt die dingen dus, zoals gezegd, overal op het eiland in groten getale tegen. Vooral op bergweggetjes met diepe afgronden en bochtige trajecten zweeft je hoofd - mijn hoofd dan - van links naar rechts en weer terug naar de kleine monumenten, opgetrokken voor grote drama's. Ook op kruispunten en in onoverzichtelijke bochten kijk je je ogen uit. Het is vooral de hoeveelheid huisjes die mij aan het denken heeft gezet. Want ondanks dat het heilige-huisjes-park zich nog altijd in zorgwekkend tempo uitbreidt, rijdt de Griekse bloem der natie onafgebroken alsof de duivel ze op de hielen zit. Op de door (olijf)olie glad geworden en slecht onderhouden wegen word je in je auto regelmatig ingehaald door in badkledij gestoken jeugd op scooters en andere gemotoriseerde tweewielers, die je tijdens het passeren enigszins bevreemd aankijken waarom je maar tachtig rijdt. Vaak gaat het goed. Ik heb het gelukkig (nog) niet mee hoeven maken dat de passanten het volgende moment levenloos om een boom gevouwen lagen, of een afgrond inreden. Maar de vele huisjes zijn stille getuigen van de keren dat het niet goed afliep.
Ook de iets oudere jeugd die zich inmiddels met een auto mag verplaatsen, laat zich niet onbetuigd. Jonge Grieken storten zich - vaak met flink wat drank op - met ware doodsverachting en hoge snelheid van Corfu's hellingen en bergwanden af. Radio op volle sterkte, blik op nonchalant en het linker armpje achteloos buitenboord bungelend vliegen ze laag over Corfu's wegen, te pas en te onpas andere weggebruikers inhalend. Niet wetend wanneer voor hen de teller ophoudt en zich er ogenschijnlijk ook niet druk om makend. En je denkt: Vreemd.
Nu heb ik eens een alleraardigst boekje gelezen over de Grieken in het algemeen en hun kenmerkende eigenschappen in het bijzonder en dat biedt tot op zekere hoogte toch wel een verklaring. De gemiddelde Griek - hoe nonchalant ogend ook - maakt zich erg druk om zijn imago ten opzichte van het andere geslacht, aldus het boekje. Dus weet de jeugdige Corfioot al vroeg dat er een beeld bestaat van de stoere en roekeloze Griek, door vrouwen geadoreerd en bewonderend gadegeslagen. Daar behoort hij aan te voldoen wil hij serieus genomen worden. En daar kan je niet vroeg genoeg aan beginnen, aldus de Griekjes.
Roekeloos rijgedrag op gevaarlijke wegen draagt natuurlijk prettig bij aan de vorming van zijn mannelijkheid, of moeten we zeggen aan zijn goddelijkheid? Want zo voelt hij zich, als hij met duizelingwekkende snelheid op een scherpe bocht met daarachter slechts de gapende muil van een afgrond afschiet, gadegeslagen door hoofdschuddende medeweggebruikers, jonge meisjes en vrienden. God op een scooter, bouwend aan zijn reputatie.
Er lijkt voor de Griekse haantjes slechts één overtreffende trap van stoerheid te zijn en dat is om daadwerkelijk te verongelukken. Een andere verklaring kan ik niet vinden in het onverantwoordelijke weggebruik van de jeugdige Grieken. Als je eenmaal opgenomen bent in de rijen van helden die je vanuit de heiligenhuisjes vanaf een foto aankijken, dan is het ultieme doel bereikt: onsterfelijkheid. Je bent dan wel dood, maar er wordt wel een openbaar monument(je) ter nagedachtenis opgetrokken. Speciaal voor jou! Voor iedereen goed zichtbaar, op de plaats waar je je laatste heldendaad uitvoerde en je leven een eind nam. Dat je familie in rouw en schuldgevoel achterblijft is allemaal best wel jammer, maar ondergeschikt aan het slagen van zijn missie: zijn leven geven en opgenomen worden in de rijen jeugdige verkeersslachtoffers met een persoonlijk gedenkteken.
Laatst stond ik weer even te kijken in een vrij nieuw huisje nabij een gevaarlijk kruispunt. Gezien de uiterlijke staat van het huisje stond het er nog niet lang. Kakelvers, alles nog nieuw, levende bloemen en een voortdurend brandend lampje. Ook de foto van een jonge fris ogende knaap was nog in perfecte conditie. We keken elkaar recht in de ogen en hij leek te zeggen: ik heb het gehaald. Heb jij het lef om mij te volgen naar het sterrendom?


vrijdag 16 september 2011

Een avond in Corfu (Stad)


Omdat de belasting buitengewoon aardig voor ons geweest is, besluiten we dat op vrijdagavond te vieren met een etentje in Corfu Stad. We kennen daar een uitstekend en pittoresk restaurantje genaamd Campiola. Niet de doorsnee Griekse kaart, het mag allemaal iets meer kosten hier. Erg goed.
Mirjam moet echter eerst een paar uur de kunstschatten van de internationale Paverpol expositie van Corfu bewaken, dus moet ik me zolang bezig houden in de stad. Nou, dat is niet zo moeilijk, ik zou er dagen kunnen zwerven.
Na Mirjam te hebben afgezet bij de expositieruimte, begeef ik mij vast richting de buurt waar Campiëllo is gevestigd. En laat ik nou vlakbij het restaurant een gaatje zien! This must be my lucky night.

Even later zwerf ik door de nu snel invallende duisternis, driftig kiekend in de drukke winkelstraten en smalle steegjes. In Corfu Stad is altijd wel wat te fotograferen.
Niet ver vanaf de Espianade valt mijn oog op een deftige bronzen plaat naast een statige maar openstaande deur. Het blijkt een soort van museum van een grote Griekse bank te zijn. He, hier is een foto tentoonstelling! Ah, van een Italiaanse fotograaf die triomfen vierde aan het begin van de 20ste eeuw. Zal dus wel in zwart wit zijn. Omdat ik nog wel even tijd heb, beklim ik de treden en zie tussen wanden die behangen zijn met bankbiljetten (Drachmes, geen Euro’s!) een pijl die naar boven wijst.
Oog in oog met Boissonnas
Even later sta ik oog in oog met Frederic Boissonnas en vergaap mij aan zijn prachtige fotocollectie. 
De meeste foto’s dateren van tussen 1903 en 1913, maar ze zijn schitterend. En wat een kwaliteit al! Ik maak van bijna alle prachtige zwart-wit foto’s een plaatje en heb spijt van mijn witte T-shirt, dat helaas nogal opvalt op het niet ontspiegelde glas van de fotolijsten. Je kan niet alles hebben.
Bij het verlaten van de expositieruimte word ik uitgeleide gedaan door de elegante oudere dame die mij de weg heeft gewezen. Ik stel mij voor dat zij misschien wel als klein meisje op de foto’s staat, zo oud is ze.
‘The collection was beautiful’, zeg ik, en ze glimlacht vriendelijk. ‘And so are you’, roep ik er achteraan. Ze maakt een buiging en lacht een perfecte rij plastic tanden bloot. Ik buig terug en wandel in de opperste staat van tevredenheid naar buiten.
Even later zit ik in de zwoele avond achter een ouzo met een bordje mezès, lekkere hartige Griekse hapjes. Het gaat nog even duren voor we gaan eten en ik ben wel toe aan een hapje.
Het is gezellig druk in de stad en iedereen lijkt het naar zijn zin te hebben. De temperatuur is zeer aangenaam, er wordt veel gelachen, gepraat, gegeten en gedronken. Van een land in crisis is hier niets te merken.

Hm, nog een half uur voordat Mirjam de tent kan sluiten. Waar zal ik nog eens een paar foto’s schieten? Ik ben in de buurt van Hotel Cavalieri, een beroemde locatie op Corfu. In de jaren 70 werd hier een deel van de Amerikaanse speelfilm Fedora opgenomen. William Holden, Hildegard Knef, Henry Fonda, Michael York en andere sterren gaven acte de presence in deze film, die voor een groot deel op Corfu afspeelt. Cavalieri is het hotel waar Holden tijdens zijn zoektocht naar Fedora onderdak vindt. Het staat bekend om zijn gammele snoeioude lift en mooie dakterras met zicht over heel Corfu Stad. Daar zou ik nog net wat plaatjes kunnen schieten voor ik Mirjam ophaal.
Ik zet de pas er in, maar hoor dan muziek uit een van de brede winkelstraten komen. Een prachtige stem, begeleid door gitaar trekt onmiddelijk mijn aandacht en ik besluit Cavalieri te laten voor wat het is.
Takis
Ik ga op het geluid af en zie al snel een straatmuzikant die verantwoordelijk is. Gezeten op een kratje begeleid hij zichzelf op gitaar en tikt met zijn in roze gympen gestoken voeten de maat. Hij heeft een wilskrachtige gebruinde kop met veel haar, dat achterop in een knotje gebonden is. Ook zijn kin is ruig behaard. Een aantrekkelijke jongen denk ik, maar ik heb er niet veel verstand van. Maar een stem! Onversterkt is hij toch over grote afstand te horen. En een drama dat er uit spreekt, dat wil je niet weten. Rauw, doorleefd, smartelijk, echt en oprecht geeft hij uiting aan zijn zieleroerselen en gedachten. Hij mishandelt zijn gitaar niet echt, maar sparen doet hij hem ook niet. Hij ramt de akkoorden er uit terwijl hij ongetwijfeld een verloren liefde of tragische relatie bezingt. Prachtig.
Agapi MOUUUUU!
Maar wacht eens, ik heb in @Home, onze favoriete muziektent op Corfu, ooit een Griekse muzikant zien spelen die op mij een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Het zou zo maar eens deze jongen kunnen zijn. Eens vragen als ik de gelegenheid krijg.
Op het hoogtepunt van zijn Griekse tragedie komt er een vadsige straathond op de artiest aankuieren en begint nieuwsgierig zijn gitaarhals te besnuffelen. Dat maakt het musiceren er niet gemakkelijker op, maar bedreven neemt hij deze kleine hindernis en vervolgt zijn levenslied. Dan begint de hond met hem mee te huilen en likt zijn handen onophoudelijk. Dat wordt de muzikant toch ook teveel en middenin zijn song houdt hij het even voor gezien.
Dat geeft mij gelegenheid een praatje met hem te maken en ik vraag Takis want zo heet hij - of hij wel eens in @Home heeft gespeeld. Inderdaad heeft hij daar eens gestaan en het was prachtig. Wat een gelukkig toeval hem hier aan het werk te zien.
Ik vraag hem naar het soort muziek dat hij maakt. Griekse rock, is het antwoord. Ik meende Neil Young invloeden te herkennen en dat klopt, bevestigt hij. Bob Dylan is ook een van zijn favorieten. Maar hij is aan het werk, dus als ik het niet erg vind?
Ik schiet een paar mooie plaatjes van hem terwijl hij met zijn krachtige stem de straten vult. Enkele voorbijgangers blijven even luisteren en sommigen gooien zelfs munten in zijn gitaarkoffer.
Mijn maag begint te knorren en ik bedenk dat het tijd is om Mirjam op te halen. Takis en ik wisselen telefoonnummers uit en ik vervolg mijn weg naar het theater. Daar wacht mijn lief mij op en een kus later wandelen wij hand in hand door 27 graden duisternis naar ons favorestaurantje. De eigenaar, die met vrienden een glaasje drinkt, herkent ons al bij binnenkomst en zegt dat we mogen zitten waar we willen. Even later klinken onze glazen tegen elkaar en toosten we op Corfu. Ons eiland.
Mirjam's bijdrage aan de expositie

dinsdag 16 augustus 2011

Een feest is een feest

Ik pik je om half tien op, dan kunnen we met een auto, zei Alex. Het wordt druk, dus we zullen voor een plekje moeten zoeken.
Ik hing op en keek eens naar de telefoon. Eigenlijk had ik niet zo’n zin om er vanavond weer op uit te gaan. Het was de avond ervoor ook erg gezellig geweest bij vrienden en eigenlijk wilde ik liever wat slaapschuld inlossen. Maar de band, genaamd Perfect Strangers, was volgens Alex beregoed en beter niet te missen. Vooruit dus maar.
Als we arriveren, is het al gezellig druk. Het hele dorpsplein van het kleine kustplaatsje aan de westkant van Corfu is bezet met tafels en stoelen, velen zijn al bezet. Op de plaatsen waar vlees gegrild wordt, stijgen enorme rookwolken op in de inktzwarte nacht. Geduldig draait een vijftal runderen aan het spit terwijl een fors gebouwde Griek met een bezweet voorhoofd en zwaar behaarde armen met behulp van een enorm slagersmes een gegrilde geit in onderdelen hakt. Het water loopt mij in de mond, maar we hebben net gegeten, dus toch maar niet.
Overal op het grote plein zijn mensen druk in gesprek met elkaar. De kinderen hebben elkaar in groten getale opgezocht en achtervolgen elkaar rennend of fietsend. Ze beschieten en beschijnen elkaar met hun zojuist verworven interplanetaire wapens en laserpennen. Ik werp een blik op de speelgoedkraam waar ze hun vernietigingswapens aangeschaft hebben. Het complete assortiment bevat meer siliconen en plastic dan Pamela Anderson in haar topdagen.
Terwijl we staande een biertje drinken, bekijken we het podium waarop een flink uitgebreide drumkit, enkele gitaren, een orgel en een flinke lichtinstallatie staan. Een muur van grote speakers belooft veel goeds. Iets verderop onder de dorpspleinboom zit een knul met een modieus staartje achter een reusachtig mengpaneel. Dit is duidelijk geen schoolbandje wat gaat optreden.
Omdat er bij Odeon, een nieuwe horecagelegenheid aan het plein, een lekkere Kaiser geschonken wordt, besluiten we daar een tafeltje te veroveren. Even later zitten we, gezellig omringd door Grieken, te sabbelen aan het heerlijk hemels goudblond. De muziek die gedraaid wordt, lijkt allemaal uit mijn persoonlijke muziekbibliotheek genomen. Stones, Led Zep, Pink Floyd en hoogtepunt voor mij LA Woman van The Doors. Wat een geweldige muzikale erfenis heb je toch als vijftiger.
Dan komt de band op en even wordt het publiek opgeschrikt door pijnlijk flapperende waffers, tweeters en woofers. Ai, de basgitaar veroorzaakt waarschijnlijk een paar scheuren van formaat in de speakers, maar de geluidstechnicus lost het snel en professioneel op en even later genieten alle aanwezigen van alles wat de Engelse muziek keuken in de jaren 80 produceerde. The Police, Fischer Z, The Cure, Black Sabbath, Dire Straits en anderen. Soms volgt een uitstapje naar Amerikaanse rockbands als Lynyrd Skynyrd (Sweet Home Alabama natuurlijk, doet het altijd goed) en Guns ’n Roses en heel soms een Grieks rocknummer. Kortom een erg gevarieerd programma wat luid, soepel en professioneel de ether in geslingerd wordt.
Naarmate de nacht vordert wordt het steeds drukker, de hele omgeving lijkt uit te lopen voor dit spektakel. De souvlaki boeren blijven de vuren opstoken, de drankverkopers kunnen het soms nauwelijks aan, de terrassen zijn tot de nok gevuld. Grappig te zien is dat, ongeacht de leeftijd van de ons omringende Grieken, iedereen geniet. De allerkleinste jeugd heeft zich massaal voor het podium van de band verzameld en danst dat het een lieve lust is. Maar ook de Griekse old-timers tikken met hun getaande vingers op hun bierfles de maat mee van nummers als Paradise City en Sympathy For The Devil. Pracht gezicht.
De sfeer is gezellig, opgewekt, uitbundig, vrolijk en vriendschappelijk. Geen vechtpartijen, geen strontvervelende dronken tieners en vandalisme, gewoon feest.
Terwijl ik in het holst van de zwoele nacht nip van mijn ouzo, bedenk ik mij dat de Grieken meesters zijn in het feestvieren. Ik bedoel, kom hier nou eens mee in Nederland. Als daar een feestje gegeven wordt voor meer dan drie mensen dan wordt de complete politiemacht van het dorp opgetrommeld om de orde te bewaren. Praat je over een duizendkoppig publiek, wat hier in Giannades op de been is, dan wordt in het beschaafde Nederland de ME ingezet. Met het leger als ruggensteun moeten ze met behulp van rubber kogels, tanks en waterkanonnen zien te voorkomen dat de feestvierders in hun enthousiasme het dorp en de omliggende landerijen met de grond gelijk maken.
Als ik dergelijke verhalen aan Grieken vertel dan kijken ze me hoofdschuddend aan en denken dat ik een grap maak. Als er geprotesteerd of gestaakt moet worden, is het vroeg genoeg om je ongenoegen of onvrede te uiten. Maar een feest is een feest.
Is er dan helemaal geen gezag in wat voor vorm dan ook te zien? Oh ja, hier is ook wel een agent aanwezig hoor. Het is de plaatselijke Bromsnor en hij zit gezellig met zijn vrouw en kleine kinderen op een terrasje en beweegt zijn hoofd deinend op de muziek, ondertussen de blonde haren van zijn slapende jongste dochter zachtjes aaiend.

dinsdag 9 augustus 2011

Pijn is fijn, zegt men...

Omdat ik de laatste tijd weer iets te ver boven mijn geboortegewicht uit kom, heb ik besloten de fiets maar weer ter hand te nemen. Met de temperaturen die hier in de zomer gelden, moet het toch tot enig vochtverlies leiden en slecht voor je conditie is het ook niet. Om een stok achter de deur te hebben, besluit ik een Nederlandse vriend te vragen om samen met mij op wekelijkse basis het ijzeren ros te bestijgen. Ik stuur hem een e-mail.
Maandagochtend half negen ben ik bij je!, antwoordt hij sneller dan mij lief is. Met gemengde gevoelens lees ik zijn e-mail. Ik ben een keer eerder met hem gaan fietsen (zie hier) en het trauma opgelopen bij die helse rit is inmiddels, na veel praten met een zielepeut en buisjes valium, weer enigszins onder controle.
Anderzijds heb ik er ook wel zin in. Corfu is zeer populair bij Nederlanders die hun vakantie fietsend door willen brengen en dat is niet voor niets. Het is een prachtig eiland om te fietsen.
Die zondag voor de grote dag haal ik de ATB tevoorschijn en besluit alvast een ritje te maken om weer een beetje gevoel te krijgen voor fietsen. Nou, dat lukt. Na twintig kilometer op dat smalle, harde, ruwe, lelijke, gemene, afschuwelijk oncomfortabele zadeltje voelt mijn achterwerk aan als dat van Gordon na de afterparty van de gayparade. Strompelend en zwetend zet ik mijn fiets in de schuur en vraag mij af of ik het ding niet beter kan verkopen.
Maar een warm bad doet wonderen. Een dag later klim ik monter op de gele schicht en gezamenlijk storten Jan en ik ons op des heren wegen. De volgende ochtend reeds toont de weegschaal dat de noeste arbeid zijn vruchten afwerpt. Ik zie al uit naar de volgende rit.
Broodje Kroket
Na enkele tochten door de prachtige en redelijk vlakke Ropa Vallei heb ik de smaak al aardig te pakken. Het zitvlak begint te wennen aan het Spartaanse zadel, de knietjes sputteren niet meer zo tegen en de spieren werken de volgende dag weer naar behoren. Ook de hoger gelegen kustdorpjes als Giannades, Marmaro en Kanakades vormen inmiddels geen probleem meer. En dan denk je dat je er wel bent. Dat bleek een misvatting.
Zullen we naar Liapades gaan, zeg ik tegen Jan. Oh, dat is een heel goed idee, vindt hij. Best wel iets verder dan wat we tot nu toe gefietst hebben. En iets hoger, vervolgt Jan. Argeloos slinger ik mijzelf op de fiets en even later zetten we, enthousiast pratend wat een fantastisch eiland Corfu toch wel is, koers naar het 15 kilometer verderop gelegen kustplaatsje. Jan kent daar een leuk terrasje en daar zullen wij onszelf belonen met een kop koffie.
Een uur later valt een druppel zweet vanaf mijn neus in mijn koele glas water. Het deert mij niet, gulzig slurp ik het levensreddende vocht naar binnen, vermengd met mijn eigen zweet of niet. Het laatste stuk omhoog naar het dorpsplein van Liapades heb ik helaas lopend af moeten leggen. Ik was te laat met schakelen en kreeg de derailleur niet meer tijdig in het lichtste verzet. Gelukkig was daar het cafeneion (soort koffiehuisje) en met krakende knieën ben ik daar in een kuipstoeltje geploft. Het voelt aan als een troon.
Mijn 'troon'
Het water en de koffie doen me goed. We aanschouwen het leven in een Grieks dorpje met de ogen van een toerist, wat we nog steeds zijn, zeker op zulke momenten. De gemoedelijkheid, de rust, de eenvoud van het leven, het spat er allemaal vanaf, daar aan het dorpsplein. En terwijl de Grieken hoofdschuddend naar onze fietsen kijken, die zien ze maar zelden in hun dorp, bespreken wij wat we zullen doen. Jan zegt dat we natuurlijk dezelfde weg terug kunnen gaan, ik vraag of er een alternatief is. Ja, dat is er, zegt Jan voorzichtig. Dan moeten we nog ietsje verder omhoog en van daaraf kunnen we terug via de westkust van Corfu, die prachtig is. Beetje off-road, soms wat steil, maar schitterend, aldus Jan. Ik voel me weer helemaal het heertje, dus stel ik voor om de gebaande paden te laten voor wat ze zijn en ons in de ruige natuur te storten.
Even later bikkelen we staande op de trappers door de smalle straatjes van dit mooie Corfiotische bergdorpje. Dit moet niet te lang duren, spookt het door mij heen, terwijl mijn opgebouwde krachten als sneeuw voor de zon verdampen. We passeren drie druk in gesprek zijnde Griekse dames. Het gesprek verstomt gelijk als ze ons zien ploegen. Ze weten duidelijk niet hoe ze ons moeten plaatsen: als helden of als krankzinnigen. Eerbiedig buigen ze het hoofd en een van hen slaat vluchtig een kruis. Voor we het dorp uit zijn, stelt Jan voor even naast de fiets te gaan lopen, omdat we anders onze krachten al verspillen voor het er echt om gaat spannen. Met een zucht van verlichting voldoe ik aan dit redelijke voorstel en laat mij van de fiets vallen.
Een kilometer verderop sta ik, leunend tegen mijn fiets, een amechtige stoomtrein te imiteren. Ik heb totaal geen oog voor de schitterende natuur waarin wij ons nu bevinden. In leven blijven is momenteel mijn voornaamste doel. Tussen mijn gierende ademstoten door probeer ik uit alle macht water in mijn gortdroge strot te gieten, wat niet meevalt als je per seconde 36 keer in- en uitademt. Laat dit de laatste gang omhoog zijn, bid ik in stilte. Zo uitgewoond heb ik me nog nooit gevoeld, vermoed ik.
Vijfhonderd meter later blijkt het toch erger te kunnen, als ik na de zoveelste stijging afstap. Ik smijt mijn fiets tegen een boom en neem op een koele rots plaats. Totaal naar de kloten, hoor ik Gerrie Knetemann nog tegen Mart Smeets zeggen, toen deze hem na zijn overwinning in de Amstel-Goldrace vroeg hoe hij zich voelde. Om daarna huilend tegen Smeets aan te vallen en riep dat hij zich de gelukkigste man op aarde voelde. Dat gevoel heb ik niet, absoluut niet. Dit komt nooit meer goed, weet ik. Zo kapot als ik ben. Mijn hart dreigt uit zijn borstkas te springen, zweet prikt in mijn ogen en mijn adem is net zo gejaagd als die van een stervende. Zal ik überhaupt nog wel thuis komen? Nou ja, als ze me maar met een glimlach op mijn gezicht afleggen. Ik heb toch een mooie tijd gehad op Corfu. Dan word ik in mijn sombere gedachten onderbroken als Jan er aan komt fietsen. Hij is even vooruit gegaan om te kijken of er nog veel steile gedeelten in het verschiet liggen. En? Eh, ja dus. Ik moet flink mijn best doen om niet te braken. Maar na dit hoogje komt er wat vlak terrein, belooft hij. Zuchtend probeer ik mijn fiets te bestijgen.
Als we via de kustplaatsjes terug willen dan zullen we hier naar rechts moeten, zegt Jan bij een tweesprong. Het rechter pad gaat steil omhoog. De andere route gaat navenant naar beneden. Een blik omhoog is voor mij genoeg om voor links te kiezen, de diepte in. Al leidde het rechtstreeks naar de hel, het maakt mij niet meer uit waar ik terecht kom, zolang ik maar niet meer omhoog hoef.
Het volgende moment stuiteren we in een wolk van stof en zand de onverharde weg af naar beneden, stemming onbekend. Met een roekeloosheid die je alleen bij harakiri piloten, dronkaards en zelfmoordenaars ziet, manoeuvreren we tussen bomen door en ontwijken de meeste obstakels op ons pad. We hebben al onze stuurmanskunst nodig om overeind te blijven op het pad, dat slechts verhard wordt door keien, grint en her en der liggende rotsen. Diepe veuren tonen de gang van het water als het pad in de winter, als het veel regent op Corfu, geen pad is maar de bedding van een woeste stroom. Meerdere malen ben ik bang het niet voor te kunnen remmen en in een afgrond of tegen een boom te eindigen. Nou ja, dan wordt je in ieder geval thuisgebracht. Het ligt er alleen aan in wat voor wagen: een ambulance of een lijkwagen.
Verbazingwekkend te zien hoe je dezelfde afstand naar beneden kunt afleggen in een fractie van de tijd en moeite die je nodig had om boven te komen. Na een aantal levensgevaarlijke minuten komen we bij een T-kruising waar we weer op een geasfalteerd pad komen. Even later meen ik een afsplitsing te zien waar we een uur geleden in gereden zijn. Jan is er niet helemaal zeker van. Vijf minuten later bevestigt hij mijn vermoeden, we naderen de buitenwijken van .... Liapades! We hebben gewoon een krankzinnig groot rondje gereden en zijn weer waar onze martelgang begon.
Een uur later wankel ik de veranda op, waar Mirjam achter haar laptop en een bak koffie zit. Ze kijkt mij met een zorgelijke blik in haar ogen aan en vraagt hoe ik me voel.
Ik ben zo gelukkig!, hijg ik, waarna ik redeloos huilend in haar armen stort.

zaterdag 11 juni 2011

Foxy Lady

Omdat de financiële zaken inmiddels drastisch zijn verbeterd in Huize Mulder, welgelegen aan Odos Spirou Sourianou (we hebben tegenwoordig een straatnaam!), belonen we ons de laatste tijd wat vaker dan voorheen. OK, uit eten is hier niet duur, maar elk briefje van 20 is er een, dus je kijkt wel uit.
Nu we allebei een baantje hebben, kan het wat gemakkelijker. Na een drukke week voor ons beiden besloten we vrijdagavond naar een optreden van de uitstekende bluesband van Roy Kendle te gaan.
Na een heerlijk maal bij Takis Taverna in Gouvia wandelen we op ons gemak naar The Navigator, een druk bezochte bar aldaar.
Het is een drukte van belang als we het terras op stappen. Overal staan mensen, drankje in de hand, gezellig met elkaar te kletsen. Binnen klinkt zachte muziek. We boffen, het is net pauze en de bar is aardig leeg gestroomd. Iedereen staat buiten en ik krijg gelegenheid drankjes voor ons te bestellen terwijl Mirjam binnen een tafeltje weet te bemachtigen.
Ik maak nog even een praatje met Dave Good, de bassist van de band. Ik ken hem nog uit de tijd van @Home, onze muziekstamkroeg. Hij speelde daar regelmatig met zijn band Dirty Water en ik vraag hem hoe het met de band gaat. Die is niet meer, meldt hij. George, de zanger van Dirty Water is, zoals het een popster betaamt, op vrij jonge leeftijd plotseling overleden. Daarom speelt Dave tegenwoordig in de band van Roy. Nou ja, goed voor hem, jammer voor George. Dan excuseert hij zich en hangt zijn gitaar om zijn nek. Hij moet aan het werk.
Even later legt de band, bestaande uit lead gitarist Roy, voornoemde Dave op bas, een uitstekende drummer en een leuke zangeres met een dijk van een stem, een strakke versie van Clapton’s Crossroads op de mat. Het is het begin van een serie heerlijke ouwe bluesrock van The Cream, John Mayall, The Stones en andere giganten.
Na drie kwartier spelen voor een laaiend enthousiast publiek wordt Foxy Lady van Jimi Hendrix ingezet. Een zeer toepasselijk nummer, bedenk ik mij, terwijl ik mijn ogen de hele avond al de kost heb gegeven. Er lopen heel wat aantrekkelijke dames los op Gods Groene Eiland, en hier is momenteel een flinke verzameling aanwezig. Om in te bijten, zijn de meeste.
Bewegend met een souplesse die je niet zou verwachten als je kijkt naar de huidnauwe jeans, dansen ze vol overgave op de harde muziek, het bovengedeelte gehuld in ruimvallende, veelkleurige zomershirtjes waarbij je denkt: hoe blijft het allemaal zitten. En een kop erop! Griekenland mag dan in crisis zijn, het is aan de bezwete, lachende hoofden van de dames niet af te zien.
De mooiste vind ik toch wel een dame die we bij @Home nog wel eens tegen kwamen en door het leven gaat als mevrouw Kendle. Haar vriendelijke gezicht met mooie krullenbos er omheen doet me aan iemand denken, maar aan wie ook alweer? Na lang peinzen weet ik het ineens: ze is een kruising tussen Tori Amos en Cher in haar goede dagen!
Maar niet alleen aan Cher gaat de tijd niet ongemerkt voorbij. Ook wij zijn niet meer in onze twenties. De nieuwe dag is nog geen uur oud als bij ons het verlangen naar een lekker bedje de overhand begint te krijgen. En terwijl de band onvermoeibaar een bluesversie van Nancy Sinatra’s These Boots Are Made For Walking inzet, wringen wij ons door de mensenmassa naar buiten en wandelen door de zwoele nacht naar onze auto. Het is goed rusten na gedane zaken.

zaterdag 23 april 2011

Feest!


Snerpend klinkt het politiefluitje door onze nog maar net ontwaakte hersenen. We worden door een driftig gesticulerende agent gesommeerd rechtsaf te slaan. Alleen de hele vroege vogels (woordspeling. De vrienden waarmee we naar het kruiken smijten gaan kijken, heten Vogels) zijn zo bevoorrecht geweest hun auto in de stad te kunnen parkeren. Wij moeten, samen met de rest, de auto elders zien kwijt te raken. Niet vreemd, als een half miljoen mensen zich aangetrokken voelen tot het grootste spektakel van het jaar op Corfu.
Kruiken smijten? Yep, eens per jaar, en wel op de laatste zaterdag van Pasen, worden er op het hele eiland op die speciale zaterdagochtend kruiken naar beneden gegooid. Laatste zaterdag van Pasen, kruiken kapot gooien? Even uitleggen.
De inwoners van Corfu zijn gek op feesten. En als ze een feestje bouwen dan doen ze dat goed. Het toppunt van het jaar is altijd het Paasfeest. Daar trekken de Grieken gewoon ruim een week voor uit. Al moet er eigenlijk gesteld worden dat ze veertig dagen eerder al beginnen met de Vasten, de voorloper van het Grote Feest. Ook dat wordt feestelijk ingeluid en smakelijk gevierd. In de tussentijdse periode zijn alweer enkele kleinere vierinkjes geweest. Maar met Pasen wordt alles, maar dan ook alles uit de kast gehaald. Zelfs de beschermheilige van het eiland, Sint Spyridon (waar de helft van de eilanders naar vernoemd is) wordt van stal gehaald en op de zaterdag voor Pasen voor de ogen van tienduizenden door de stad gesjouwd. Niemand wordt vergeten, ook de bejaarden niet.
Na deze processie is de stad inmiddels volgelopen met mensen in aantal variërend tussen 250.000 tot een half miljoen. Van over de hele wereld komen Grieken en toeristen om dit mee te maken. In economisch betere tijden waren er soms een miljoen mensen op het eiland, heb ik eens gelezen.
Inmiddels moet dus duidelijk zijn dat wij de auto niet meer in de stad kunnen parkeren. Gelukkig weten wij de nodig plekjes en routes in de omgeving en even later parkeren wij aan een heel rustig weggetje, een half uurtje lopen van het centrum.
Onderweg smikkelen we voor Corfu Palace Hotel op het gemak een lekker appelbroodje en zien we al dat het weer heel druk zal zijn. Honderden uitgelaten en vrolijke mensen passeren ons, allemaal in gespannen verwachting.
Even later storten wij ons ook in het feestgewoel. Het is inderdaad gigantisch druk op en om de Espianade, de grootste avenue van Corfu. We besluiten deze keer niet aan de Espianade te blijven, maar ons in de ingewanden van de stad te begeven. Schouder aan schouder wringen we ons door de mensenmassa, op zoek naar een strategisch plekje.
Het is vreselijk druk in de nauwe straatjes, maar niemand is vervelend of brutaal. Ook zwangere vrouwen en dames met kinderwagentjes begeven zich hortend en stotend door de menigte. Het is ons al eerder opgevallen, en ook deze keer ontbreekt het niet: een gevoel van warmte en kameraadschap onder de mensen. Het is feest voor alle mensen. Iedereen lacht en is vriendelijk. Ondanks de gigantische drukte klinkt er geen onvertogen woord. Raddraaiers bevinden zich niet in de menigte.
We worden getriggerd door hoempageluiden die boven het geluid van de mensenzee uitkomen. Even krijgen we de kans om van een afstandje een van de vele korpsen van Corfu glimmend en glinsterend voorbij te zien trekken. Corfu kent een flink aantal korpsen, bezet met trotse Corfioten van klein tot groot en jong tot oud. Allemaal hetzelfde kleurige pak aan. De revers natuurlijk rijkelijk behangen met gouden galons en op de schouders kleurige epauletten. Ook de glimmend gepoetste helmen ontbreken niet en iedere muzikant loopt strak in de pas. Als het moet dan kunnen ook Grieken zeer gedisciplineerd zijn, blijkt maar weer.
Dan wordt het tijd om een plaatsje te bemachtigen, het is inmiddels half elf geweest. Binnen een half uur zal het spektakel losbarsten. Ah, voor de winkelpui van een van de 350 juweliers die Corfu Stad kent vinden we, onder de overkapping gelukkig, een mooi plekje.
In drommen schuiven de mensen, waaronder toch wel heel wat als toerist vermomd zijn, voorbij. Omdat we ons vlakbij Guilfordstreet bevinden, besluit ik een gokje te wagen en te kijken of ik in een van de portieken daar kan komen om wat plaatjes van bovenaf te maken. Na tien minuten schuifelen en stilstaan, ben ik eindelijk aan de overkant van de straat geraakt en zie dat het raam van waaruit ik mooi kiekjes kan maken, zwaar overbezet is. Maar ik ben er nu toch en gok op de medewerking van de Grieken. Na de twee trappen omhoog beklommen te hebben, zie ik een flinke concentratie jeugdige Grieken samengeklonterd voor het grote raam. Zachtjes vraag ik of het goed is dat ik een paar foto’s maak. Als de rode zee voor Mozes opent de groep zich en maakt ruim baan voor de fotograaf. Wat een camera met een flinke toeter al niet doet.
Van bovenaf is goed te zien wat een drukte het is in de smalle straten, uitlopend naar de veel ruimere Espianade. Te midden van de woelige mensenzee staat een zigeunerin met een handkar met kleurig geverfde potten en kruiken. Het baksel gaat grif van de hand en ze doet beste zaken. Merkwaardig idee dat tientallen mensen hier vijf euro voor een kruikje betalen en dat een paar minuten later stuk gooien. Maar goed, elke zot zijn marot.
Op tijd ben ik weer terug onder de veilige luifel en heb nog even tijd om de overburige panden in me op te nemen. Overal hangen felrode doeken uit de ramen, meestal ten teken dat van daaruit met kruiken gesmeten gaat worden. Wat duidelijk mag zijn, op veel van de doeken staan de nodige kruiken en kruikjes al te wachten op hun droeve lot. Achter de kleiwaar staan, ongeduldig, de personen die het spul naar beneden zullen kieperen. Jonge, vrolijk lachende Corfioten die nauwelijks kunnen wachten om het feest te laten beginnen.
De juwelier voor wiens zaak wij staan, een besnorde Griek met een vriendelijke uitstraling, komt bij ons staan. Niet om ons te vragen op te zouten omdat we zijn deuropening en etalage in beslag nemen, maar om wat kruikjes en ander aardewerk uit te delen aan de dames in ons gezelschap. Het moet wel kapot, drukt hij de meiden op het hart.
Dan worden de eerste plonzen water naar beneden gegooid, als een waarschuwing dat het feest zo gaat beginnen. Geen sirene, geen radiowagen of de staatstelevisie die waarschuwt voor onheil, een scheutje water volstaat. Krijg je water op je kop dan weet je dat het nog maar even duurt alvorens de kruik waar het in zat, volgt. De mensen die zich nog op het open gedeelte van de straat bevinden, zoeken snel een veilig heenkomen.
Het is een vreemd gezicht, de bomvolle straten met honderden mensen om ons heen, met de totaal verlaten middengedeelten. Iedereen dromt samen onder de luifels en overkappingen van de winkels, alsof er een enorm noodweer dreigt. Dat idee klopt ook wel.
Dan slaan de eerste kruiken te pletter op het gladde witte plaveisel, gevolgd door een regen van ander pottenbakkerswerk. Een scherf vliegt tegen mijn scheen, dus helemaal veilig ben je niet. Gelukkig heb ik mijn lange broek aan. Ik heb van een bevriende Griek verhalen gehoord over talloze gewonden die met hevig bloedende hoofd- en snijwonden in gereed staande ziekenauto’s afgevoerd werden. Hier valt het alles mee, iedereen is blij en tevreden.
Als het ergste spervuur afneemt, durven de eersten van de samengeklitte mensen voorzichtig hun hoofd vanonder de luifels te steken. Langzaam krijgen we de gelegenheid de enorme puinhoop te overzien. De hele straat is bezaaid met potscherven en aardewerk. Bizar. De eerste verzamelaars van scherven buigen al voorover en beginnen scherven in hun plastic zakken te stoppen. Ze doen nog het meest denken aan kippen die gevoerd worden.
Toch is het spektakel nog niet helemaal voorbij. Twintig meter verderop, waar onze straat samenkomt met de Espianade, klinkt luid gejoel, gevolgd door een doffe dreun. Ah, daar gaan de echt zware jongens uit het raam. Kruiken van pakbeet vijftig tot honderd liter, tot de nok gevuld met water, worden met vereende krachten van de wankele balkons gekukeld. De donderende klap die dat geeft is indrukwekkend. Daarom is de Espianade altijd het drukst bezocht, de Grieken vinden het prachtig. De ene kruik is nog groter dan de ander. Vaak worden ze mooi beschilderd, gevuld en te pletter gegooid. Wie de grootste kruik naar beneden gooit, zal het meeste geluk ervaren dat jaar. Dat staat nog maar te bezien.
Na een afsluitende ouzo met mezès (Griekse tapas) bij Olympia, gelegen aan de met scherven bezaaide Espianade, wandelen we onder een heerlijk zonnetje terug naar de auto. We snijden een flinke omweg af door via de grote begraafplaats naast het vliegveld over te steken. Een groter contrast tussen leven en dood kan in mijn optiek niet bestaan.