Green Island Blog

dinsdag 12 december 2023

'Dat is een mooi affiche', dacht ik, toen ik in de krant las dat de FA Cup finale zou gaan tussen Manchester United en Manchester City. Ik vind het nog altijd leuk om naar het Engelse voetbal te kijken, zeker als het een clash tussen twee topteams betreft, en ook nog eens een derby.
Het tijdstip past prima in mijn schema, zaterdagmiddag om vijf uur. Vroeg genoeg om nog wat aan je avond te hebben, en laat genoeg om te beginnen met een borrel of een biertje. Dat gaat dus in mijn agenda!

Zaterdag 3 juni 2023 is dé dag voor veel Engelse voetballiefhebbers, speciaal voor diegenen in Manchester en omgeving. Daar komt bij dat het de 100-jarige FA-cup finale is, wat het voetbalfeest extra cachet geeft.
Een heel duidelijke voorkeur wie er moet winnen heb ik niet, al is het voetbal van City op dat moment oogstrelender dan dat van United. Maar ik win hoe dan ook, wie er ook verliest.
En dus ben ik een half uur voor de aftrap onderweg naar Adonis Internetcafé, waar ik interessante voetbalwedstrijden op een scherm van twee bij drie meter kan volgen.
De ruime tijdspanne is allereerst omdat ik te voet ben. Uit voorzorg heb ik de auto maar laten staan. Bij zulke gelegenheden krijg je zo hier en daar nogal eens een drankje aangeboden, en voorkomen is beter dan genezen.
Ten tweede wil ik ruim van tevoren aanwezig zijn, want waarschijnlijk wordt het uitverkocht huis. Om dus een goed zicht te hebben is een flinke marge in tijd nodig.

Wanneer ik de hoek omsla de straat in waar Adonis Café is, zie ik nog heel weinig activiteit die erop duidt dat er wat aan de hand is. Geen overvolle parkeerplaats, noch rijen dubbel geparkeerde auto's, ik ben dus mooi op tijd. Op mijn gemak leg ik de laatste honderd meter af en beklim de zes treden naar het terras. Waar niemand zit. Nog geen hond.
Twijfel overvalt mij. Heb ik mij in de dag vergist, in het tijdstip van de aftrap? Nee, absoluut niet, die finale is nu, en zal beginnen over minder dan vijftien minuten. Ik loop naar de deur en bemerk dat die dicht zit. Ik tuur naar binnen, alles donker. Wat is hier aan de hand? Een sterfgeval in de familie? Een naderende kernaanval van een vijandige mogendheid? Of is de Engelse bekerfinale van geen enkel belang voor de Griek?
Ik rammel nogmaals aan de deur, maar die geeft niets mee. Ik zal mij moeten beperken tot de uitslag in de krant om te weten wie de FA-cup in 2023 heeft gewonnen.
Maar dan komt Spyros Kourkoulos, de vriendelijke Burger Bakkende Buurman van de naastgelegen Hamburgerzaak het terras oplopen en vraagt wat ik wil. Dus ik leg uit dat ik de finale van de FA Cup had willen zien, maar dat de zaak gesloten is.
Yes, Adonis is sleeping at this moment, antwoordt hij.
Ah, zeg ik gelaten, thank you for letting me know.
So you want to watch the game?, vraagt hij glimlachend, terwijl hij de sleutel omdraait die, zie ik nu, gewoon in het slot zit.
Uh, yes, actually I do, mompel ik.
Come in, nodigt hij uit, terwijl hij mij voorgaat naar binnen.
Ik onderneem nog een halfslachtige poging om zijn dadendrang te beteugelen, maar het is 'kanena problima!' voor hem, noch voor Adonis, verzekert hij.
Nou, keuze genoeg waar ik ga zitten, realiseer ik mij. Spyros is ondertussen aan het zoeken op welke zender de match wordt uitgezonden, en ik besluit om mijzelf precies in het midden te installeren.
En ja hoor, daar verschijnen de elftallen al in beeld. Tweeëntwintig ernstig kijkende mannen passeren de revue. Die gaan elkaar geen duimbreed toegeven, dat kan je van die vastberaden blikken aflezen.
You want beer, tsipouro, wine?, vraagt Spyros.
Eh, beer please, if no problem?
Not at all. Peanuts or chips? Afrekenen kan later met Adonis persoonlijk wanneer die over een klein uurtje zelf ook zal arriveren.
Ik bedank hem hartelijk voor alle moeite, zeg dat hij de redder in nood was. Met een grote glimlach gaat hij weer terug naar zijn eigen zaak om de voorbereidingen voor een drukke avond te hervatten.

Ik besluit er eens goed voor te gaan zitten, neem een eerste slok, en zie twaalf seconden na de aftrap İlkay Gündoğan de score voor City openen met de snelste goal aller tijden in de geschiedenis van de FA cup. Wat een leven, wat een eiland.

vrijdag 25 augustus 2023

Griekse gebruiken en tradities op Nieuwjaarsdag

In Nederland, maar ook in in veel andere landen, is het op de eerste dag in het nieuwe jaar gebruik om familie, vrienden en kennissen een goed, gezond en gelukkig nieuw jaar te wensen. Corfu is hier geen uitzondering op. Men wenst elkaar kali chrónia (καλή χρόνια), en gezamenlijk zet men het daarna op een eten en drinken. Tot zover de overeenkomsten met Nederland.

Podariko

Denk echter niet dat met deze gesproken gelukswens er een einde is gekomen aan de nieuwjaarlijkse plichtplegingen! Stel, je bent in de winter op vakantie op Corfu, je maakt daar de jaarwisseling mee en je wordt op Nieuwjaarsdag uitgenodigd bij een Griekse familie. Dan is het een zaak van gewicht om bij het betreden van de gezinswoning de Rechtervoet als eerste over de drempel te tillen. Zet men namelijk de linker voet als eerste binnen, dan brengt dat ongeluk voor de ontvangende familie. En jij bent daar dan de oorzaak van!
Dit gebruik wordt Podariko (πόδαρικό) genoemd, afgeleid van het Griekse woord Podi (πόδι), wat voet betekent. Omdat veel Grieken niet alleen aan tradities hechten, maar ook enigzins bijgelovig zijn, is het zaak om je eerste stap naar binnen overdreven duidelijk met de rechter voet te doen. Je hoeft je rechterbeen niet helemaal achter je oor langs te halen, maar wel duidelijk zichtbaar voor alle aanwezigen dat rechts voor gaat. Je wilt tenslotte niet de schuld krijgen van elk probleem of onheil dat zich in een jaar kan voordoen in een familie.
Ik noem maar een voorbeeld: de Griekse belastingdienst besluit de boekhouding van de familie van de afgelopen 10 jaargangen nog eens aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Dat beschouwt men terecht als ongeluk. En omdat jij dat jaar zo suf was als eerste je linker voet de drempel over te zetten, is dat misfortuin aan jou te danken!
Of Pa Spyros rijdt na een gezellig samenzijn midden in de nacht naar huis, maar krijgt op een onbegaanbaar slecht pad een lekke band met zijn pick-up truck bouwjaar 1958. Geen krik voorradig, hij heeft zijn zondagse pak aan, en het begint net te stortregenen. Ja, dan weet je wel wie daar de schuld van krijgt.
Men moet dan ook niet vreemd opkijken dat de ooit zo vriendschappelijke betrekkingen met de Corfiotische familie allengs op een lager pitje komen te staan als je in gebreke bent gebleven hun tradities te volgen.

Het aansnijden van de Vasilopita

Allereerst zij opgemerkt dat op het uitspreken van het woord Vasilopita (Βασιλόπιτα) enigzins geoefend moet worden. Ga daar dan ook niet aan beginnen na een paar alcoholische versnaperingen, want voor je het weet ben je de risée van het circus. Doe dit op een rustig moment, wanneer er niemand aanwezig is.
Hoe dan ook, het aansnijden van dit 'Brood van Vasilis' vindt plaats op 1 januari, en wel door het hoofd van de familie. De eerste delen worden opgedragen aan God, Maria, Sint Vasilis en het Huis. De overige plakken worden verdeeld onder de aanwezigen, op volgorde van leeftijd.
Dit is op zich niet zo heel bijzonder, ware het niet dat er een heel jaar van geluk in het spel is! In de Vasilopita is namelijk één munt verstopt, en degene die zijn tanden daarop stuk bijt, is verzekerd van een heel jaar van zegeningen en voorspoed. Denk hierbij aan het winnen van de toto, het vinden van de juiste huwelijkspartner, het ontslag of overlijden van die nare manager waarmee je altijd ruzie hebt, en je voetbalclub wordt landskampioen (de Champions League valt buiten het bestek van de vasilopita).
Nu zijn er gevallen bekend dat de betrouwbaarheid van de traditie soms aan slijtage onderhevig is. Ik ken een 'gelukkige' die ooit de plak met de munt kreeg geserveerd. Vervelende bijkomstigheid was dat hij daar pas achter kwam toen hij de munt al half ingeslikt had. Hij dreigde te stikken en de enige mogelijkheid om te overleven, was het toepassen van tracheotomie (τραχειοτομή), of het voorwerp helemaal in te slikken. Hij koos voor het laatste. Maar dat viel helemaal niet mee, in aanmerking genomen dat de munt qua grootte te vergelijken is met de oude Nederlandse rijksdaalder. Om nog maar te zwijgen over de problemen die zich voordeden om de geluksmunt op de natuurlijke weg weer het lichaam te doen verlaten.
Of hij de rest van het jaar nog geluk heeft ervaren weet ik niet. Wel dat hij de eerste paar maanden op een luchtkussen heeft doorgebracht.

De naamgever

De Vasilopita heeft zijn naam volgens de overlevering te danken aan Vasilis de Grote, een 4e eeuwse bisschop, die bekend stond om zijn begaandheid met de armen en minder bedeelden onder de bevolking. Hij besteedde zijn tijd voornamelijk met het helpen van de behoeftige medemens en genoot daarom een grote populariteit. Er zijn verschillende versies over het ontstaan van dit gebruik waaraan zijn naam is verbonden.
Één verklaring die de ronde doet, is dat de Goede Sint Vasilis graag zijn welstand wilde delen met de arme bevolking, maar zich hierop niet wilde beroemen. Derhalve liet hij in de anonimiteit broodjes bakken met daarin een gouden munt verstopt en liet die uitdelen onder de behoeftige burgers, zodat men in ieder geval tijdens de feestdagen geen armoede hoefde te lijden.
Een andere versie luidt dat er op een kwade dag een leger voor de poorten van de stad stond dat geen goede bedoelingen had met de bevolking. Onze Vasilis haalde de bange burgerij over hun schatten aan hem over te dragen zodat hij de legeroverste kon overhalen zijn snode plannen te laten varen. Het tekent de argumentatie van Vasisli dat de legerleider en zijn bende zich terug trokken zonder iemand een haar te krenken, noch enige vergoeding voor gemaakte reis- en verblijfkosten berekende!
Omdat het ondoenlijk leek iedere burger zijn bijdrage weer te doen bekomen, besloot Vasilis dan maar broden te bakken met daarin alle kostbaarheden van de burgers en deze uit te delen onder zijn stadgenoten. Het is tekenend voor de goede betrekkingen van deze heilige met bovennatuurlijke wezens dat alle donaties op deze manier bij de rechthebbende personen terecht kwamen. Daar kan PostNL een voorbeeld aan nemen!
Vanwege zijn betrokkenheid bij de lagere regionen van de bevolking werd Vasilis na zijn dood heilig verklaard en wordt zijn sterven nog steeds op de eerste dag van het nieuwe jaar herdacht.

De granaatappel

Mochten bovenstaande tactieken niet werken, dan is daar nog altijd de granaatappel. Deze prachtige vrucht staat niet alleen symbool voor gezondheid, maar ook voor voorspoed. Gek genoeg moet de vrucht dan voor de deur van de gezinswoning stuk gegooid worden. Wel is het zaak om tijdens deze vandalistische handeling een aantal wensen uit te spreken. Hoe zwaarder de vrucht, des te groter de nieuwe portefeuille aangeschaft moet worden om de naderende geldstromen te kunnen herbergen. Is daarbij de vrucht ook nog eens rijkelijk voorzien van pitjes dan kan je nieuwe jaar helemaal niet meer stuk.

Schrijver dezes baseert bovenstaande beweringen op informatie verstrekt door derden. Aan deze informatie kunnen geen rechten ontleend worden!

woensdag 3 mei 2023

Afspraak is afspraak?

 Elk land heeft zo zijn zeden en gewoonten, en dat vind ik mooi om te zien. Wat voor de een heel bijzonder is, is voor de ander de gewoonste zaak van de wereld. Als voorbeeld om dit te illustreren, wordt vaak het verschil tussen Nederlanders en Chinezen aangehaald.
In China is het een teken van beleefdheid en waardering om te boeren na een maaltijd. Dit gebruik wordt in Nederland echter als zeer ongepast ervaren. Laat in een fancy restaurant tijdens een gezellig etentje met familie of collega's maar eens een flink rollende roffel gaan, zo een diep vanuit je binnenste, dan weet je wat ik bedoel.
Moeten wij de Chinezen er op aanspreken om deze, in onze ogen, onbeschofte gewoonte voortaan achterwege te laten? Natuurlijk niet, 's lands wijs, 's lands eer. Toch?
Dat in aanmerking genomen, zijn wij er na enkele jaren Corfu achter gekomen dat ook de Griek andere gewoontes heeft dan de gemiddelde Nederlander. Een daarvan is dat een Griek jou bij het maken van een afspraak zal zeggen wat jij wil horen, niet gehinderd door enig schuldgevoel of schaamte als hij die afspraak niet kan of gaat nakomen. Daarover kan onze goede vriend Pieter mee praten.

 Wie ooit eens op Corfu geweest is, zal het waarschijnlijk opgevallen zijn dat wegenbouw op dit mooie Griekse eilandje niet de hoogste prioriteit heeft. Gaten ter grootte van volwassen maankraters zijn meer regel dan uitzondering op het uitgebreide wegennet van Corfu.
Wordt er op doorgaande wegen over het algemeen nog wel een laagje asfalt gestort, waarop later soms zelfs enkele witte lijnen gekalkt worden, op achteraf weggetjes en in de achtergebleven gebieden in het binnenland is dit gebruik onbekend.
Zo ook bij onze Pieter. Om zijn prettige huis in de buitenwijken vanons dorp te bereiken, is bij voorkeur een auto gewenst die de Dakar ralley minimaal één keer heeft voltooid, om alle rotsige obstakels, gaten en modderige ondergronden met succes te slechten.
En dus kwam Pieter op den duur op het briljante idee om een wegenbouwer in te schakelen, om in het vervolg op een comfortabele manier de afstand naar zijn huis af te leggen. Omdat hij toch eerst de kosten wilde berekenen, maakte hij een afspraak met een, door een bevriende makelaar aanbevolen, wegenbouwer genaamd Spyros. Afgesproken wordt dat hij de zaak in ogenschouw zal komen nemen en naar aanleiding daarvan een offerte zal opmaken.
Na een datum en tijd met de vakman afgesproken te hebben, legde Pieter met een tevreden zucht de telefoon neer, gerustgesteld dat zijn hobbelpad binnen afzienbare tijd tot het verleden zou horen.

 Op de grote dag zit Pieter in gespannen verwachting klaar met koffie en koekjes, om de asfalteerder Spyros gunstig te stemmen. Volgens afspraak zal hij om elf uur zijn opwachting maken, om zijn kundig oog de kost te geven en aldus een redelijke prijs te bepalen.
Onze vriend Pieter is niet gealarmeerd wanneer de klok in digitale cijfers 11:15 aangeeft en zijn bezoek zich nog niet heeft aangediend. Hij is tenslotte op de hoogte dat een Griekse minuut wel eens tien minuten kan bestrijken.
Nog raakt hij niet in paniek wanneer er weer een kwartier verstrijkt zonder de verschijning van zijn gast. Ha, dit is Corfu, daar gelden andere regels dan in het gestresste Nederland!
Om kwart voor twaalf is er nog steeds niets dat er op wijst dat er een asfalteerder in aantocht is. En dan krijgt hij jeuk. Hoor ik daar de sirene van de ambulance? Er zal toch niets gebeurd zijn? Heb ik me misschien in de datum vergist? De twijfel slaat toe, en hij neemt zich voor dat hij zal bellen als er om twaalf uur precies nog niemand geweest is.

 In het volgende kwartier is een landschildpad het enige levende wezen dat Pieter voorbij ziet kruipen, en hij besluit te gaan bellen. Met bevende hand toetst hij het nummer van Spyros in.
Na drie keer overgaan wordt de telefoon opgenomen.
'Nai' (Grieks voor Ja)?, klinkt het. Pieter slaakt een zucht van verlichting, zijn wegenbouwer is blijkbaar nog in goede gezondheid.
Het volgende gesprek ontwikkelt zich ongeveer zo:

P – Hi Spyros, this is Pieter!
S – Hey, how are you doing?
P – I'm fine, how are you?
S – Not too bad, thanks for asking.
P – Didn't we have an appointment for today?
S – Absolutely!
H -  Wasn't you supposed to be here at eleven?
S – Yes, sure!
P – But now it is already twelve o' clock.
S – Yes, twelve O five, to be precise
P – Aha! But you are not at my house?
S – No, I'm in Lefkimmi (uiterst Zuid Corfu)
P – Ah, that is at least one hour drive to our village, right?
S – At least, yes.
P – So you will not be here today, for an estimate to fix our road?
S – No, that is impossible unfortunately. I will be in Lefkimmi all day.
P – OK, so we have to make another appointment?
S – Yes, we have  to make another appointment.
P – Shall I call you then?
S – Yes, please call me!
P – Alright, will do. Bye Spyros...
S – Yiasou (Grieks voor Dag)! Klik

Pieter heeft nog zeker een kwartier verdwaasd naar zijn telefoon zitten kijken. Een Nederlands kwartiertje, dat dan weer wel.

maandag 25 februari 2019

Die gastvrije Grieken #2

Wat is het toch altijd heerlijk verpozen in de smalle straatjes van een dorpje als Komianata. De eenvoud en kneuterigheid die je hier overal tegenkomt staan zo in schril contrast met de manier van leven zoals wij die kennen in bijvoorbeeld Nederland. Ik kom altijd graag in plaatsjes als deze, voel mij er bijzonder op mijn gemak. Domweg gelukkig ook, want ik heb weer een serie mooie kiekjes gemaakt. Maar aan al het goede komt een eind, ik moet hoognodig mijn vriend Panos gaan bezoeken want het begint al te donkeren.
Niet dat Panos op de hoogte is van mijn komst. De doorsnee Griek houdt niet van afspraken maken. Hij is meer van het spontane. Een agenda is een handig boekje waarin je de maten van een nieuw te timmeren raamkozijn kan noteren, of zelfs het telefoonnummer van een goede vriend. Maar om daar afspraken in op te schrijven, compleet met datum, tijd en locatie, dat dan weer niet.
En dus bekruipt mij de gedachte dat hij wel eens niet thuis zou kunnen zijn, als ik zijn voordeur gesloten vindt. Ook niet erg, het is vrijdag laat in de middag, niet ver verwijderd van het tijdstip dat Mirjam en ik normaal het weekend inluiden met een drankje en wat te knabbelen erbij. Voor de zekerheid klop ik nogmaals op zijn deur, maar ik houd rekening met een stille aftocht.
Dan hoor ik een stem achter mij die wat in het Grieks roept en ik draai me om. Een wat oudere Griekse man, op zijn ronde door het dorp. Op mijn vraag of hij Engels spreekt (Milaste Anglika?) knikt hij en hij vraagt wie ik zoek. Ik vertel hem dat ik voor Panos kom, maar dat hij waarschijnlijk niet thuis is. De man lacht en zegt dat ik voor het huis van Panos’ dochter sta. Hijzelf woont hier, wijst hij op het naastgelegen huis.
‘He is sleeping now, but I will wake him up!’, zegt hij vrolijk, en begint met zijn vuist op de houten deur te beuken. Ik probeer zijn enthousiasme te temperen door te zeggen dat ik een andere keer wel terug kom. Dat is voor de goede man aanleiding nogmaals een roffel op de deur te geven, harder nu, ondertussen luidkeels 'Panos, Panos, xypna!' (Panos, wakker worden) roepend.
Ik ben enigszins verlegen met de situatie. Inmiddels moet het hele dorp wakker zijn van de pogingen om Panos uit bed te krijgen. De beukende buurman wordt door dergelijke kleinzielige gedachten blijkbaar niet gehinderd. Hij wil net een nieuwe aanval op de deur inzetten als er gekreun vanachter de solide deur klinkt. ‘Nai, poios eínai ekeí’ (Ja, wie is daar)? De man ratelt wat in rap Grieks en vraagt dan mijn naam. Na het verstrekken van die informatie gaat de deur langzaam open en verschijnt het slaperige hoofd van Panos om de hoek, de haartjes flink in de war. Zijn ogen gaan van slaperig naar wijd open wanneer hij mij herkent en verschijnt in volle gedaante vanachter de deur. ‘Dick, come in!’, roept hij verrast. Hij is slechts gehuld in een t-shirt en een pyamabroek. De man die hem gewekt heeft, kijkt mij triomfantelijk aan en vervolgt tevreden zijn weg, terwijl ik mij vervoeg bij Panos.

Terwijl Panos de smalle trap in zijn woonkamer beklimt om snel een broek aan te schieten, kijk ik om mij heen in de leefruimte van een kunstenaar. Zoals te verwachten helemaal behangen met schilderijen, er is bijna geen plaats onbedekt. Dat maakt toch geen verschil, want ook de muren zijn decoratief beschilderd. Op een grote professioneel uitziende ezel staat een doek nog in de maak. Her en der liggen enkele schildersattributen al of niet te drogen.
Dan komt de maestro naar beneden en het eerste dat hij doet is mij omhelzen en mij een dikke zoen op beide wangen geven. Toen wij hier nog niet zo lang woonden, had ik daar enige moeite mee, maar inmiddels ben ik eraan gewend en zie ik er een teken van grote genegenheid in.

Als bij toverslag staan er ineens twee glaasjes tussen ons in op tafel en een fles tsipouro binnen handbereik. Daar gaan we weer.
Panos toont mij zijn laatste werken, waarvan ik er een paar voorbij heb zien komen op Facebook. Hij heeft enkele fraaie portretten geschilderd van Lafcadio Hearn (1850-1904), een Griek die opgegroeide in Japan en ook luisterde naar de naam Yakumo Koizumi. Ook de moeder van Lafcadio is in verf vereeuwigd, een streng ogende dame, dat kan je zo zien. Maar toch heeft ze ook een gevoelige kant, getuige een traan die uit haar rechteroog biggelt.
Panos vertelt honderduit over Hearn/Koizumi en zijn andere ontwerpen. Het verveelt geen moment, hij brengt zijn verhalen met veel enthousiasme. Het lijkt wel of hij een persoonlijke band heeft met de personen die hij in verf weergeeft.
Praten over kunst maakt dorstig, dat is algemeen bekend, dus schenkt hij ons nogmaals in. Maar van die lading alcohol geraak je spoedig overvol, dus antwoord ik gretig bevestigend als hij vraagt of ik er wat bij te eten wil. Ik verwacht een paar blokjes feta, enkele moten tomaat, een paar olijven en wat salami, wat het fantastisch doet bij de borrel. Dat komt inderdaad op tafel, maar ook zet hij een pan met water op en begint pasta te koken. Ik probeer hem van zijn voornemen af te brengen door te zeggen dat ik maar een onaangekondigde gast ben die geen aanspraak op een maaltijd kan maken.
Dat is geheel volgens de verwachting tegen dovemansoren gezegd. Panos maakt dat op de Griekse manier duidelijk, door de handen met de handpalmen naar voren tot schouderhoogte te heffen, het hoofd in de nek te gooien en de ogen te sluiten, waarna met beide wijsvingers een ruitenwisserbeweging gemaakt wordt. Je bent mijn gast en daar zorgen we voor, of je het wilt of niet. This is Corfu!

Later zit ik aan een bord pasta met kaasstrooisel en snippers ham, terwijl mijn gastheer nog eens inschenkt. In de wetenschap dat het geen zin heeft om te weigeren, laat ik mij de onverwachte maaltijd goed smaken om zo een ondergrondje te maken en aldus te voorkomen dat ik straks zo lam als een aap de auto instap. Ondertussen verzin ik een list. Ik moet gewoon heel rustig aan doen met die borrel, want zodra de bodem van mijn glas alleen maar in zicht is, vliegt Panos’ hand alweer naar de fles.
Dat werkt goed, het tempo gaat omlaag. Met een beetje goede wil houd ik de schade beperkt tot drie borrels. Als geoefend tsipouro drinker moet ik de weg naar huis zonder problemen kunnen vinden.
Bij de laatste hap zeg ik tegen Panos dat het tijd is om te gaan. 'Already?!”, roept hij. 'You don’t want more pasta?'
Ik imiteer het Griekse Nee-gebaar. Met succes, hij lacht, maar dringt niet langer aan. Maar dan toch nog wel even een klein glaasje? Ik kan er niets aan doen, moet lachen, en schud blijkbaar niet streng genoeg nee. 'One for the road', zegt hij terwijl hij de glazen nog eens bijvult. Ik zucht onhoorbaar en rol voor de vorm met mijn ogen.

Als we later aan de deur afscheid nemen en ik mij op het smalle steil aflopende paadje naar mijn auto begeef, zwaait hij mij uit tot ik veilig beneden aan de doorgaande weg ben. 'Drive carefully', geeft hij mij nog mee alvorens hij de deur sluit. Heerlijke mensen.

zaterdag 23 februari 2019

Die gastvrije Grieken #1

In de zomer van 2018 kreeg ik van een Griekse Facebookvriend een personal message, geheel in het Grieks opgesteld. Ik kende de man, ik nam tenminste aan dat het een man was, in het geheel niet. Hij/zij noemde zichzelf PS Mavro en daar moest de virtuele wereld het maar mee doen. Omdat hij/zij veel van mijn foto’s ‘like’te, besloot ik het bericht door Google Translate te halen en ontdekte dat het een uitnodiging was.
Op mijn vraag wat de uitnodiging precies inhield, kwam een vaag antwoord. ‘Kom maar gewoon en neem wat zoets mee’, was alles dat ik te horen kreeg. Normaal gesproken zou ik dan direct afhaken, wantrouwig als je tegenwoordig moet zijn vanwege dergelijke ‘vriendelijkheden’ op internet. Maar iets in deze uitnodiging zei me dat hier geen sprake was van een dubbele bodem.
Omdat Mirjam ook getriggerd was, toen ik haar vertelde van de ongewone boodschap, besloten we de gok te nemen en gewoon te gaan. Lang verhaal kort, we hebben een fantastische avond gehad. Het gezelschap bestond uit een kleine twintig man, waarvan we nog nooit iemand ontmoet hadden.
Zoals te doen gebruikelijk op Griekse feesten, werd de feestvreugde vergroot met het nuttigen van veel eten en drinken, slechts zo nu en dan onderbroken door lange gesprekken. Veelal met als onderwerp de kunst. Of het nu ging om kook- of schilderkunst, fotografie, dichtwerk, of muziek, de stilte van de zwoele zomeravond was aan ons niet besteed. Niet vreemd, met een aantal kunstschilders, een bekende kok en een gesjeesde fotograaf. Pas in de kleine uurtjes werden handen geschud en beloftes gedaan om elkaar snel weer te zien.

Belofte maakt schuld. Zeker als die belofte niet gemakkelijk vergeten kan worden. Van Panagiotis (Panos voor vrienden) Mavrópoulos, want zo heette mijn Facebookvriend en gastheer, kregen wij namelijk als afscheidscadeau twee prachtige schilderijtjes. Die staan fier op de schoorsteenmantel te pronken, en telkens weer kijk ik er met genoegen naar. En dan denk ik ook aan de geweldige avond die we hadden en de afspraak nog eens langs te komen.
Dus stuurde ik Panos vroeg in het nieuwe jaar een berichtje dat ik binnenkort even aan zou komen wippen om een tsipourootje te drinken. ‘Wanneer je maar wilt, filè mou (mijn vriend). Ons huis staat altijd voor je open!’, was het antwoord.

Ik zit in de auto op weg naar Komianata, een klein bergdorpje een half uurtje bij ons vandaan. Ik graai achter mijn stoel om mij er van te overtuigen dat ik mijn camera bij me heb. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik ga fotograferen en er on the spot achter kom dat mijn cameratas met alles erin nog thuis staat. Deze keer niet, stel ik tevreden vast. Komianata is, zoals zoveel van die oude bergdorpjes op Corfu, zo pittoresk, dat moet op de gevoelige plaat vastgelegd worden.

Het is net half drie geweest als ik de auto parkeer. Dat geeft mij nog mooi ruim een uur de tijd om wat kiekjes te maken van dit pareltje alvorens ik mij bij Panos zal vervoegen.
Iets verderop zie ik een man een kruiwagen met houtblokken voor zich uitduwen. Stookhout waarschijnlijk, voor veel Corfioten is dat de enige betaalbare manier om hun huis te verwarmen in de winter. Ik volg hem richting een nauw straatje waarvan ik weet dat het naar het ieniemienie dorpspleintje loopt. Ik hoor stemmen vanaf een lager gelegen erf en dan zie ik drie mannen, bezig de kruiwagen met hout te ontladen en op te stapelen. Ik begroet ze met een volleerd kalispera (goeiemiddag) en tegelijk draaien drie hoofden mijn richting op. Gedrieën begroeten ze mij alsof we elkaar al jaren kennen. En of ik toch wel even een foto wil maken?, vraagt de man wiens bovenlip schuil gaat achter een grote borstelsnor. Normaal moet ik er om vragen, dus ik grijp deze buitenkans met beide handen aan en klik.

Na een aantal foto’s bedank ik de mannen en wil verder lopen, maar dat gaat zomaar niet. Want waarom niet even een wijntje met ons gedronken, vraagt de snor, in wie ik de bewoner van het huisje vermoed. Hij is gehuld in een houtbakkersoverhemd en een camouflagebroek, maar ondanks zijn stoere kledij heeft hij een vriendelijke oogopslag.
- Eh, nou, als je toevallig ook tsipouro hebt?
- Natuurlijk heeft hij dat! Is de paus katholiek?
En hij verdwijnt in het huisje terwijl de andere mannen zich voorstellen. De in het zwart geklede man heet Dimitris, de wat kleinere luistert naar de naam Yiannis en lijkt een beetje op Daan Schuurmans. De heer des huizes heet Spyros. Die komt na de voorstelronde net naar buiten met een longdrinkglas in zijn knoestige knuist, voor de helft gevuld met mijn favodrankje. Oeps, dat zijn zeker drie stevige borrels!
Maar de Grieken denken in dit opzicht nu eenmaal in het groot en dus accepteer ik zijn gulle geste beleefd, zij het dat ik mijn bedenkingen uitspreek door Oh Po Poh (Tjonge jonge) te roepen. De mannen lachen, wat meestal gebeurt als ik deze typisch Griekse kreet gebruik.
En we klinken en we drinken, bespreken de toestand in de wereld, en delen informatie uit waar de beste tsipouro te halen. Vanzelfsprekend komt ter tafel waarom ik op Corfu wil wonen, als ik toch ook in het mooie Holland kan verblijven. Het kost altijd wat tijd om dat uit te leggen en voor ik er erg in heb, zijn we een half uur verder. Dan vraagt Spyros of ik zijn moeder wil ontmoeten? Maar natuurlijk wil ik dat! Ik volg mijn gastheer naar binnen, benieuwd wat ik aan zal treffen.

Binnen in het piepkleine huisje zit een stokoude dame aan een kleine tafel koolbladeren los te trekken van een krop. Ik herken haar meteen! Enkele jaren geleden, toen Mirjam en ik het dorpje van de andere kant benaderden, stond zij ons bij de ingang op te wachten. Ze liet ons door maar niet eerder dan na een grondige inspectie van onze antecedenten en bedoelingen.
Ze spreekt geen woord Engels, dus vertel ik haar zoon van onze ontmoeting enkele jaren geleden. Ik weet niet zeker of hij begrijpt wat ik bedoel, en ook de oude dame kijkt vragend naar haar zoon op, vermoedend dat mijn betoog over haar gaat. Spyros schudt echter enthousiast van ja en verklaart een en ander aan zijn moeder. Ondertussen maakt hij van de gelegenheid gebruik om mijn glas bij te vullen. Mijn zwakke verweer dat ik nog foto’s moet maken, wordt afgedaan met een gemompeld Nai nai (Ja ja).
Ik kijk om me heen in de piepkleine woonkamer annex keuken en ontegenzeggelijk hoor ik Wim Sonneveld zingen: ‘Wat leefden ze eenvoudig toen, in simpele huizen tussen groen’. Het ameublement bestaat uit een kleine formica eettafel met twee houten stoelen, een tot op de draad versleten fauteuil en een oude radio op een grenen wandmeubeltje. Enkele planken aan de muur vormen kastruimte, er is een granieten aanrecht met een enkele kraan en een tweepits gasstel. Een elektrisch spiraalkacheltje houdt de temperatuur in de kleine ruimte draaglijk.
Aan de muur hangen zwaar vergeelde foto’s van hen die er niet meer zijn en een wat recentere van een soldaat. Ik herken de nog jonge Spyros, fier vanonder een soldatenpet de lens in kijkend. Ik vraag of ik er een foto van mag maken, maar dat mag niet van de oude dame. Zelf wil ze al helemaal niet op de foto, hoe haar zoon ook aandringt om een kiekje te maken van beiden. Mama is duidelijk nog steeds de baas in huis, ondanks Spyros’ indrukwekkende gestalte, zware lipbedekking en stoere kleding.

Even bukken en we staan weer buiten. Het hout is inmiddels netjes opgestapeld, de kruiwagen staat weer bij de buurman op het erf. Yiannis vraagt of hij mijn glas nog even bij moet vullen, maar dat genereuze aanbod sla ik resoluut af door mijn hand op mijn glas te leggen. I’m a man on a mission!
Ik maak mijn nieuwe vrienden duidelijk dat ik nog even aan de slag moet alvorens ik mij bij hun bovenbuurman Mavropoulos moet melden. Ah, Panigiotis, ook wel Panos genoemd! Wist ik al dat hij een beroemde kunstschilder is?
We spreken af dat we elkaar bij een andere gelegenheid weer zullen zien. Dat kan morgen al, wanneer Spyros in de stad zal zijn om daar bij zijn favoriete bar een neut te drinken en zijn voorraad tsipouro weer op op peil te brengen. Ik beloof niets, maar je weet maar nooit en zo, en gia sou (het ga je goed) en kalo vradi (fijne avond) en een handvol andere afscheidsgroeten.

En dan bevind ik mij, bijna een uur later dan begroot, weer in de stille straatjes van Komianata. Toch nog maar even een paar foto’s maken voordat ik naar Panos loop...

Wordt vervolgd

woensdag 9 januari 2019

Rijkdom


Rijkdom


Tijd is geld, ja toch? Het is een gevleugelde uitspraak in onze drukke maatschappij. We moeten rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan, zong Herman van Veen al. Hij spreekt natuurlijk uit ervaring, als populaire artiest met een ongetwijfeld zeer strak schema. En dat alles doen wij voor de machtige euro, de Mammon moet onvoorwaardelijk gediend worden.
De offers die we plegen zijn natuurlijk alleszins de moeite waard. De beloning is tenslotte groot. Je carrière gaat als een komeet, elke drie jaar kom jij, afgunstig gadegeslagen door je buren, de straat inrijden met een nieuwe middenklasser. Je parkeert het nieuwe paradepaard voor de garagedeur van je twee-onder-een-kapwoning, gelegen in een luxe wijk met strak aangelegde plantsoenen, kunstmatige vijvers met rotspartijen en een binnenhaven met hardhouten aanlegsteigers om de Langweerder Sloep of ander kostbaar vaartuig aan te meren.
Gelukkig staat je salaris toe dat je regelmatig een meditatiecoach bezoekt, die voorkomt dat Alpha-, Beta- en Gammagolven jou overspoelen en je een burn-out krijgt. En natuurlijk niet te vergeten een abonnement op de sportschool en jaarlijks op wintersport. We moeten tenslotte regelmatig ontspannen om de batterij opgeladen te houden. Of zoals je manager placht te zeggen, om op tijd te kunnen focussen, punten op je horizon te zetten, in je kracht te staan, en ander bullshitjargon om je maar van de straat te houden. Want tijd is geld maat, dus werken met je donder. Dat is dan wel niet heel manager-achtig uitgedrukt, maar de boodschap komt wel over.
Als je, zoals wij, in een land verblijft waar het allemaal een onsje minder gaat, merk je soms dat een dergelijk levensritme flink ingesleten is bij ons. Ongemerkt blijf je hangen in een razend tempo of vaste gewoonte, waar eigenlijk geen enkele aanleiding voor is. Je denkt nu eenmaal dat het zo hoort, punt uit. Daar werd ik op een dag op gewezen door een geleerde Griek op een bouwvallige bromfiets.

Omdat het water uit de kraan op Corfu doorgaans beter niet gedronken kan worden, of je moet eens spectaculair willen afvallen, ga ik om de zoveel dagen bij het plaatselijke watertapstation onze watervoorraad aanvullen. Omdat wij veel water drinken, het water van het tapstation komt van een hoger gelegen bron en is heerlijk, neem ik altijd zestien lege vijflitervaatjes mee om die te vullen met het hemelse vocht. Met tachtig liter kunnen wij weer een week of twee vooruit.
Je bent er even mee bezig, maar dan ben je voorlopig weer even van dat vervelende karweitje af. En je kan weer ongelimiteerd aan het water. Is de bodem van de watervoorraad na een tijdje weer in zicht, dan laad ik de vaten in en begeef mij naar de watertap.
Nu zijn er maar twee werkende tappunten, de derde kraan is al een hele tijd buiten gebruik. Dus is het zaak om eerste of maximaal tweede te zijn om niet in een wachtrij aan te sluiten. Ik ga dan ook op tijden dat de kinderen op school zitten en hun ouders aan het werk zijn. Toch kan het wel eens voor komen dat er meerdere mensen net iets eerder op hetzelfde idee gekomen zijn. Daar sta je dan, met je zestien vaatjes.
Soms maakt iemand net aanstalten om te vertrekken. Prima als je dan eerste bent in de cue, dan wacht je natuurlijk even. Maar als mijn voorgangers net gestart zijn met vullen van hun imposante hoeveelheid flessen, vaten en tonnen, dan is dat voor mij het teken om mijn vaten te laten waar ze zijn en gas te geven. Linea recta weer naar huis, kom op. Zeker als er ook nog eens een of twee personen in de wacht staan. Dan maar even een paar flessen gekocht bij de plaatselijke minimarkt, we gaan onze kostbare tijd natuurlijk niet verdoen met wachten.

Op een goede dag kwam ik aan bij het tapstation en vond tot mijn grote vreugde niemand voor me. Ik laadde dus mijn zestien vaatjes uit en begon te tappen. Ik had al gezien dat ook de tweede kraan dienst weigerde, dus als er nog iemand zou komen, dan had die pech. Die kwam tachtig liter later weer eens aan de beurt.
Ik heb net het tweede vat vol en spoel het derde om, als er een wat oudere, zongebruinde Griek op een brommertje uit het jaar nul komt aanknetteren. Rokend en puffend komt zijn vehikel aan de stoeprand tot stilstand. Ik zie een enkel plastic vaatje op de treeplank, ik schat een twee- à drielitervat. Hij wenst mij een kalimera (goede dag) en ik groet terug.
Ik ben nog maar net begonnen en schat dat ik nog zeker een minuut of acht a tien bezig ben om alles te vullen. Omdat we maar te gast zijn in zijn land, gebaar ik dat hij zijn werk kan doen en ik wel even wacht tot hij zijn ene vaatje gevuld heeft.
Tot mijn verbazing weigert hij mijn genereuze aanbod door zijn hoofd in de nek te gooien, de onderlip naar voren te schuiven, zijn handen te heffen en met beide wijsvingers ruitenwisserbewegingen te maken. Tijdens deze handeling schudt hij nee met zijn hoofd, dit alles met de ogen gesloten. Duidelijker kan hij het niet maken, ga maar rustig verder met waar je mee bezig bent.
Ik maak nog een gebaar van, weet je het wel zeker, en wijs op de hoeveelheid om mij heen staande lege vaten. Alsof het hem geen enkele moeite kost, herhaalt hij zijn gebaar en gaat, als bevestiging dat hij het meent, schrijlings op de lastdrager van zijn vooroorlogse bromfietsje zitten. Hij diept uit zijn binnenzak een pakje shag tevoorschijn en begint op zijn gemak een sjekkie te rollen. Dat dit een secuur klusje is, blijkt als de brand er pas in gaat nadat ik mijn vijfde vat heb gevuld.
Terwijl ik sta te tappen overdenk ik de situatie. En ik kom tot geen andere conclusie dan dat het briljant is wat deze man doet. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hem, genietend van het zonnetje en de fluitende vogels, zitten op de lastdrager van zijn vervallen vervoermiddel. Als een vorst op zijn troon zit hij daar. Zo nu en dan hartelijk zwaaiend naar een dorpsgenoot, dan weer een praatje aanvattend met een andere voorbijganger.
Hij heeft geen social media nodig om erachter te komen hoe het met zijn vrienden en kennissen gaat. Hij gaat gewoon even water tappen! Behoefte aan een praatje? Hij pakt zijn vaatje, trapt zijn bromfiets aan en vertrekt. Wat een wijsheid, wat een briljante geest!
Hij is niet rijk, lees ik af aan zijn kleding en vervoermiddel. Als hij al rijk zou zijn dan weet hij dat heel goed te verbergen. Maar in tijd gemeten is hij schathemelrijk.

Ik heb mijn voorraad watervaten inmiddels teruggebracht van zestien naar acht. Rome en Keulen zijn ook niet op een dag gebouwd.

vrijdag 22 april 2016

Groene blaadjes

Na een fotoklus in Pelekas, wat is dat toch een prachtig bewaard gebleven afdruk uit een ver verleden, begint mijn maag flink te rammelen. Ik heb een paar uur door het dorp gezworven op zoek naar mooie plaatjes en daarin ben ik niet teleurgesteld. De beloning is dan dat ik mezelf mag tracteren op een heerlijke saganaki. 
Ik wandel op mijn gemak naar beneden. Pelekas is namelijk ‘gelaagd’, wat wil zeggen dat er tussen het hoogste en laagste punt van het dorp een meter of 70 a 80 verschil zit.
Ik stap het terras op van een van de tentjes die gebroederlijk aan het dorpsplein gevestigd zijn en word gelijk vrolijk begroet door Kostas, een man die ik een paar uur daarvoor gefotografeerd heb. Kostas is een goedlachse man, met een weerbarstige haardos en inmiddels bezig aan zijn derde gebit. Hij stelt me voor aan Nikos, een old timer met een schipperspetje, zo mogelijk nog ouder dan hemzelf. Nikos zit aan een naburig tafeltje in een rolstoel. Ik schud hem de hand en desgevraagd stel ik me voor als Dickos. Op mijn vraag Ola kala (Alles goed?), schudt hij nee en wijst op zijn benen. Ik voel met hem mee. Het lijkt mij ook helemaal niks, om, gezien de hoogteverschillen in Pelekas, afhankelijk te zijn van een rolstoel. Voor je het weet ben je een attractie als je weer eens door je remmen gaat. Ik wissel de paar zinnetjes Grieks die ik machtig ben met hem uit en bestel daarna mijn saganaki (kaasgerecht dat vernoemd is naar het pannetje waarin de kaas gebakken wordt) en een flesje water.
In afwachting van mijn lunch kijk ik om me heen en geniet van het leven. Op enkele kilometers afstand ligt Varipatades, nog zo’n schilderachtig plaatsje, te stralen bovenop een berg. Daarvoor een enorm groen dal, hier en daar afgewisseld met kleine concentraties huisjes. Dichterbij, namelijk twee tafeltjes verderop, zitten twee knappe jongedames achter zonnebrillen selfies te nemen. Ik hoor ze Nederlands spreken. Omdat ik nog op mijn bestelling wacht, besluit ik ze aan te spreken.

Mijn kaaslekkernij ligt koud en onaangeroerd op mijn bord, zo druk in gesprek als ik ben met de dames, die Tanya en Rianne blijken te heten. Twee vriendinnen die een weekje op Corfu zijn en het helemaal fantastisch vinden. Ze hebben al veel van het eiland gezien en ik geef ze wat tips over het eiland. En of ze het bekendste drankje van het eiland al geproefd hebben, namelijk Kum Quat (likeur gemaakt van de gelijknamige vrucht). Dat hebben ze nog niet en even later nemen ze hun eerste slok terwijl ik van mijn tsipouro proef.
De dames, beiden afkomstig uit Amsterdam, hebben het met Nederland aardig gehad en zijn bezig hun blik te verruimen. De tredmolen waarin ze zich bevinden, hangt ze aardig de keel uit. Ze hebben meer verwachtingen van het leven dan carrière, een hypotheek en elke drie jaar een nieuwe auto. Beiden zijn zeer onder de indruk van Corfu en dan vooral van het totaalplaatje. Hoe groen het eiland is, vriendelijke mensen, prachtige natuur en het rustige tempo waarin het leven op Corfu zich voltrekt. Met name het verblijf in een omgeving als die waar wij ons op dat moment bevinden, is voor de meiden een geluksfactor die hoog op hun verlanglijstje staat.
De glazen worden nog eens gevuld door de grijsharige eigenaresse van de taverne en we praten honderduit over de zin en onzin van het leven. Hun plannen op dit moment zijn om later in het jaar voor een maand of drie – en zo mogelijk langer – met een camper of oude bestelbus door Australië te toeren. Ik kan niet anders dan bewondering hebben voor de ondernemerslust van deze jonge vrouwen.

De middag is inmiddels bijna ten einde het is tijd om te gaan. Na afgerekend te hebben, staan we gedrieën op, als Nikos, die de hele tijd niet van zijn plek af is geweest, mij wenkt.
Ik loop naar hem toe, schud hem de hand en wens hem een fijne avond. Hij wenkt mij met een kromme vinger dichterbij. Ik neig mijn oor naar hem en hij fluistert iets wat ik niet helemaal begrijp. Wel versta ik ‘Koritsia’ (meisjes). Ouwe snoeperd! Ik zeg tegen Tanya en Rianne dat Nikos graag nog even afscheid wil nemen van hun. Een voor een komen ze aan zijn tafel en geven hem een hand. Hij gooit zijn hoofd schuin in zijn nek en vraagt om een kusje. Lachend voldoen de meiden aan dit verzoek door beide ongeschoren wangen te zoenen. Nikos straalt, hij heeft de dag van zijn leven volgens mij.
Even later staan we gedrieën op straat en ik neem afscheid van de dames. Zonder zoenen. Some guys have all the luck.

maandag 7 december 2015

Een schone zaak

Het is net tien uur in de ochtend als ik de deur open duw van het kantoor van DEH, de elektriciteitsmaatschappij van Corfu. Een security guard, die er imposant uitziet in zijn kogelvrije vest, komt direct op mij toegesneld. Blijkbaar wordt hij ook ingezet als servicemedewerker, want hij vraagt wat het doel van mijn komst is. Ik vertel hem dat wij gaan verhuizen en dat ik deze informatie graag wil doorgeven aan de elektriciteitsleverancier. Hij trekt een nummertje voor mij uit de automaat en gebaart naar de wachtruimte. Ik mag verder.
De stalen banken zijn grotendeels bezet, maar ik vind nog redelijk gemakkelijk een plekje. Dat is al een hele meevaller, in het oude kantoor waren alleen staanplaatsen. Een rood matrixbordje schuin boven mij geeft aan dat nummer 34 momenteel aan de beurt is, en ik check automatisch mijn nummer, 074. Hm, dat kan wel eens een lange zit worden, in aanmerking genomen dat er twee medewerksters zijn. Ik diep mijn Sudokuboekje op uit mijn colbert. Het is nog bijna nieuw, nog meer dan 80 te gaan. Mij hebben ze niet.

Een uur en twee Sudoku’s (6 en 7 stippen) later geeft het matrixbord 39 aan. En dat alleen omdat de nummers 35, 37 en 38 verstek lieten gaan. Ondertussen ben ik allang de laatste niet meer, er is nog een stevige aanwas van mensen. Ik vraag me af of ik vandaag nog zaken kan doen. Er zijn verhalen bekend van mensen die uren en uren hebben zitten wachten en tegen de tijd dat ze aan de beurt waren, te horen kregen dat het kantoor gaat sluiten en de volgende dag maar terug moeten komen. Van dat schrikbeeld word ik niet vrolijk.
Nochtans lijdt de sfeer er niet onder. Het is een vrolijk komen en gaan van mensen. Velen zijn geanimeerd met elkaar in gesprek op een volume dat bij een trash metal concert niet zou misstaan. Nieuwkomers kijken eens om zich heen en vinden altijd wel een bekende, die zij direct beginnen te knuffelen en op de schouder slaan. Anderen die geen gesprekspartner hebben, blaffen in hun mobieltje of worden gebeld. Ik heb tot op deze dag nog nooit zoveel verschillende beltonen gehoord, gevolgd door NAI (Ja)? Het is alsof je in de kroeg zit, zo gezellig.
Er is ook niemand die klaagt. Ik bewonder de Grieken hoe goed ze kunnen wachten. Urenlang kunnen ze niets doen, navelstaren, met de komboloi (kralenketting) spelen, afwachten. De enkeling die niets omhanden heeft, zit stilletjes te wachten op dingen die komen gaan, onbewogen en schijnbaar niet vatbaar voor invloeden van buitenaf. Ik zou na een paar minuten nietsdoen vreselijk jeuk krijgen, daarom gaat er bij zulke klussen altijd Sudoku mee. De Griek heeft dat niet nodig.
Wie er ook heel relaxt blijven onder de drukte, zijn de twee dames die de bureaus bemannen. Ze wandelen zo nu en dan wat heen en weer, al of niet met een beker koffie in de hand, en lijken zich niet gestrest te voelen onder de aanwassende stroom werk. Ze horen hun klanten aan, roepen zo nu en dan iets terug, maar dat alles zonder stemverheffing, grootse gebaren of andere kenmerken van gejaagdheid.
Een ander personeelslid, gehuld in een knalblauwe stretchbroek die haar paardenkont tot in detail laat uitkomen, heeft blijkbaar geen bureaufunctie. Regelmatig doorkruist ze het pand met een mobieltje in haar hand, terwijl ze in de andere soms een bekertje koffie houdt. Ze lijkt niet in het minst onder de indruk van de reuring in haar kantoorruimte.
Inmiddels staat de teller op 44, wat aardig opschiet. Nog maar dertig te gaan voor ik aan de beurt ben. Met een strak schema van pakbeet zes per uur, de uitvallers meegeteld, betekent dit dat ik nog wel even tijd heb om boodschappen te gaan doen. Ik besluit te gaan lopen om de stramme spieren enigszins in beweging te brengen.

Nadat ik drie kwartier later, de supermarkt was helaas dichtbij, de boodschappen in de auto gestouwd heb, zie ik in rode cijfers dat nummer 50 inmiddels aan de beurt is. Dit gaat wel heel erg snel! Misschien zijn er een paar wachtenden overleden aan uitdroging, verveling of het bereiken van een hoge leeftijd. Een andere verklaring kan ik niet bedenken voor dit tempo. Nou ja, het scheelt weer in wachttijd.
Ik neem het risico mijn beurt voorbij te laten gaan, en ga op zoek naar een gelegenheid waar ik een lekkere bak troost kan scoren. Niet geheel toevallig is die op een steenworp afstand. Waarschijnlijk is het gebouw daar neergezet met de bedoeling dagelijks massa’s klanten van DEH te voorzien van afleiding in de vorm van koffie, broodjes, drank en maaltijden.
Na zeer uitgebreid te hebben genoten van een cappuccino, een ham-kaasbroodje en een nieuwe Sudoku, bestel ik een laatste cappo en wandel op het gemak terug. Ik wil niet het risico lopen om bij terugkomst nummer 075 of hoger op het rode schermpje te zien opgloeien. Een dergelijke teleurstelling is te vergelijken met het missen van je vliegtuig en dat wil je niet.
Maar nee hoor, we zijn pas bij nummer 62, dus no stress. De kleine wijzer houdt het midden tussen de 1 en de 2.
Bij wijze van tijdverdrijf vraag ik aan de security man wat al die mensen hier komen doen. Komen ze allemaal een adreswijziging doorgeven? Nee, verklaart hij, u bent de enige. De rest komt praten over een betaalregeling, om niet bedolven te worden onder hun hoog opgelopen achterstallige rekeningen.
‘Oww... kay’, antwoord ik. Ik ben een bevoorrecht mens, bedenk ik mij. Toch zou je het aan de sfeer in het kantoor niet zeggen dat al deze mensen financiële problemen hebben. Het is nog steeds een gezellig samenzijn. Er wordt uitbundig gelachen, gepraat en gebeld. Ook buiten staat een groepje Grieken, ontspannen een sigaretje rokend, kopje koffie in de hand, in afwachting van hun beurt.
Ik stort mij maar weer op een nieuwe Sudoku.

Dan is het moment eindelijk toch daar: 073 is aan de beurt! Ik ga alvast in de starthouding staan en houd ondertussen met argusogen het nummerschermpje vast. Ik wil niet door een gretige Griek afgetroefd te worden.
Nummer 073, een wat gezet heerschap in een versleten trainingspak, neemt er uitgebreid de tijd voor. Ontspannen keuvelend, het ene been over het andere geslagen, duurt het gesprek maar voort. Het zou me niet verbazen als hij op den duur foto’s van zijn kleinkinderen gaat laten zien. Na wat gelach over en weer staat hij eindelijk op en, jawel, daar verschijnt 074 op het scherm. Met grote passen been ik naar het bureau waar mijn voorganger nog wat staat te dralen. Als hij maar niet besluit weer te gaan zitten, denk ik, en plof gauw op de stoel. Die is nog warm.
Ik knik naar de dame tegenover mij en wil van wal steken, als mijn voorganger zich bedenkt en boven mijn hoofd een nieuw gesprek begint. De medewerkster verplaatst haar blik van mij naar omhoog en hoort de man welwillend aan. Zo nu en dan schudt ze haar hoofd. Ik onderga de vertraging lijdzaam.
Ik begin al aardig Grieks te worden.

dinsdag 24 november 2015

Het heerlijk avondje

Wanneer ik Adonis' Internetcafé nader, komen mij van buiten al de rookwolken tegemoet. Net als het rumoer van druk pratende mannen. Het is weer Champions League avond.
Ik baan mij een weg door de verstikkende sigarettendampen vermengd met de geur van gegrilde souvlaki. Ik ben dan wel twintig minuten voor aanvang van de wedstrijd binnen, maar de gelagkamer zit al bommetje vol. Maar ik heb mazzel, op de eerste rij is de middelste stoel nog vrij. Ik trek mijn jas uit en hang hem over de stoelleuning heen, bij wijze van bezetting. Daarna worstel ik mij door driftig gesticulerende Grieken richting de bar en bestel een tsipouro en een glas water. Ik spoed mij terug naar mijn plaats en zie tot mijn opluchting dat de jas gewerkt heeft. Ik zit vanavond eerste rang.
In stilte bedank ik Andreas, die mij een paar dagen geleden op de hoogte bracht van 'De Match'. Dé Match? Jawel meneer, vanavond neemt Olympiakos, de trots van Griekenland, het op tegen de kampioen van Duitsland, Bayern München. Dan is het zaak om er op tijd bij te zijn, want steevast uitverkocht huis.
Jenny, de enige vrouwelijke aanwezige, sjouwt zich een ongeluk aan bier, wijn en ouzo, afgewisseld met borden verschrikkelijk lekker ruikende souvlaki's. Uit ervaring weet ik dat de souvlaki bij Adonis eersteklas is en het water loopt me in de mond. Met een beetje mazzel kan ik er straks nog een of twee bestellen, maar ook daarmee is haast geboden.
Voor het spektakel gaat beginnen, krijgen we nog een stortbui aan reclames over ons heen. Hoe ze het voor elkaar krijgen weet ik niet, maar ze weten elk product met voetbal te relateren. Of het gaat om scheermesjes, auto's, creditcards, je schoonmoeder of frisdrank, in elke commercial verschijnt wel een bal die beroerd wordt door een al of niet beroemde voetballer. Griekenland is absoluut voetbalmaf.

Twintig minuten na het startsein staat het 3-0 voor de Duitsers. Het dreigt een zware avond te worden voor de voetballende Grieken. Dat is voor de aanwezigen nochtans geen reden om een toontje lager te zingen. Integendeel, het lijkt wel of het laatste oordeel is aangebroken. Het is een geschreeuw van jewelste, waarbij de voetballers van Olympiakos bij elk mislukt balcontact betiteld worden als 'pusti' (homo) of 'malakka' (klootzak). Prachtige sfeer, ondanks dat het overgrote deel van het publiek enorm de pest in heeft.
Ik kijk terloops eens naar mijn vriend George, die een paar stoelen verderop ontspannen een sigaretje rookt en een fles Fix bier voor zich heeft. Een vage glimlach siert zijn gezicht. Hij is voor Panathinaikos, weet ik, maar hij kijkt wel uit op dit moment uiting te geven aan zijn gevoelens. Dat kan hem een gebroken neusbeentje of erger opleveren.
Naast mij zit een keurig heerschap, althans, zo ziet hij er uit. Keurige glanzend zwarte leren instappers. Geen spijkerbroek met versleten plekken voor hem, maar een broek met vouw. Daarboven een colbertje met opzetstukken op de ellebogen en een heus overhemd met keurig gesteven boord. Daarboven een gedistingeerd en netjes gekapt hoofd, waar hij zo nu en dan een glas tegenaan houdt om wat wijn naar binnen te gieten.
Zijn deftig voorkomen is voor hem toch geen beletsel zijn bittere teleurstelling luidkeels onder woorden te brengen. Hij vloekt er vrolijk op los wanneer zijn helden de bal weer eens op een knullige manier verspelen. Doelman Roberto van Olympiakos, schuldig aan de eerste tegengoal, wordt bij elk balcontact hartgrondig uitgescholden door mijn buurman. Dit wordt niet zijn avond, vermoed ik.

Het is pauze. Ik nip van mijn nieuwe borrel, van George gekregen. Tijdens het nieuwe bombardement aan reclame heb ik mooi de tijd om de omgeving eens goed op te nemen. Overal om mij heen druk pratende Grieken, die alleen even zwijgen als ze een haal van hun sigaret of een slok nemen. Anderen zetten hun tanden in een souvlaki. Jenny komt handen te kort.
Schuin voor mij klappen de saloondeurtjes naast het mega grote scherm regelmatig open en dicht als er weer een bezoeker doorheen gaat. Toen ik hier voor het eerst kwam, veronderstelde ik dat daar de toiletruimte was. Tot ik dacht dat sommige mannen wel erg de kouwe pis hadden, zo vaak als ze daarheen liepen. Desgevraagd vertelde George, die behalve taxichauffeur ook een beetje de burgemeester van Agios Ioannis is, dat daar een gokruimte is. Er worden weddenschappen afgesloten op alles wat los en vast zit. Dat kan variëren van of het bij rust nog 0-0 is, tot welke ploeg de eerste corner zal nemen. Maar ook aan welke kant de eerste penalty of goal valt. Natuurlijk kan je op winst of verlies gokken, maar dat levert je hooguit een souvlaki (€1,50) op. De uitslag juist voorspellen is echter goed voor een hele zak met knaken. Hoeveel wissels er aan deze of gene kant zullen zijn. In welke minuut er door welke partij, of zelfs door wie gescoord gaat worden. Nou, dan kan je een rondje geven hoor.
Het is een druk komen en gaan door de klapdeurtjes als de tweede helft begint en dat zal zo blijven tot het laatste fluitsignaal.

Ook tijdens het tweede bedrijf hebben de Grieken niet veel in te brengen tegen de dodelijk doeltreffende daadkracht van de Duitsers. Met twee vingers in de neus en een in een andere lichaamsholte verdedigen de Münchenaren het eigen doel, waarna weer een nieuwe aanval op het Griekse doel ingezet wordt. Ik ben geen fan van het Duitse voetbal, maar het moet gezegd, Bayern schakelt razendsnel om van verdediging naar aanval en combineert naar hartelust. Het is alleen aan de keeper van Olympiakos, die de tweede helft zijn werk beter doet dan in de eerste, te danken dat het nog tot de 70ste minuut duurt alvorens het varkentje geknipt en geschoren is en er 4-0 op het scorebord prijkt. De heer naast mij maakt van zijn hart geen moordkuil en scheldt er lustig op los, zijn argumenten kracht bij zettend met grootse wegwerpgebaren. Life ain't easy for a boy named Spyros, bedenk ik mij en besluit hem een hart onder de riem te steken.
'It's definitely not Olympiakos' day hah?', vraag ik hem. Hij kijkt mij verdorrend aan en maakt enkele voorwaartse knikbewegingen met zijn kin. Een uiting van ‘Wat bedoel je?’ Ik herhaal mijn opmerking, maar hij haalt slechts zijn schouders op. Hij spreekt blijkbaar geen woord over de grens. Om zijn argument kracht bij te zetten, gooit hij het hoofd in de nek, trekt zijn mondhoeken naar beneden, heft de vlakke handen met de binnenkant naar mij toe, tot kinhoogte. Het Griekse gebaar voor ‘Ik weet niet waar je het over hebt’. Dan vestigt hij zijn blik weer op het grote groene scherm en ziet juist de Griekse spit machteloos de bal schampen in plaats van een peer op doel te geven. ‘Pusti!’, schreeuwt hij. Ik hoop maar dat hij de arme Griekse spits bedoelt en niet mij. Ik doe er verder maar het zwijgen toe, mijn Grieks is niet toereikend om zijn avond nog goed te maken.
Als Olympiakos-fan duren zulke wedstrijden lang, heel lang. Voor de trotse Griek naast mij is het zelfs een lijdensweg zonder weerga. Met veel kunst en vliegwerk blijven de verdedigende stellingen van de Griekse nummer 1 het verdere verloop van de wedstrijd overeind, al is het meer te danken aan de gemakzucht van de tevreden Duitsers dat de afstraffing bij 4-0 blijft. Mijn buurman heeft zijn idee van een leuke voetbalavond flink bij moeten stellen. Als het laatste fluitsignaal snerpend klinkt, maakt hij nog een laatste wegwerpgebaar richting het scherm alvorens hartgrondig te roepen: ‘Motherfuckers!’
Hij spreekt dus toch een beetje Engels.

dinsdag 8 september 2015

Gelukzoeker (3)

Ik hoef alleen maar op het geluid af te gaan. Druk pratende mannen, die hun redenatie kracht bij zetten door het volume van hun stem te verhogen. Vanuit het felle licht begeef ik mij in de donkere ruimte van het plaatselijke praathuis, ook wel kafèneion genoemd. Even later zit ik aan de bar van de kleine eetgelegenheid annex koffiehuis. Een heerlijk beslagen glas ijskoud water staat voor mij, daarnaast een tsipouro. Het water giet ik gulzig naar binnen, met het vuurwater doe ik iets rustiger aan.
Wanneer mijn waterhuishouding weer een beetje op orde is, heb ik gelegenheid de overige aanwezigen in mij op te nemen. Behalve de barman zitten er vier mannen rond een tafeltje te kaarten (Beriba). Een man met een gebit als een fietsenrek slaakt een luide kreet wanneer hij triomfantelijk een paar kaarten op tafel smijt. Zijn maat tegenover hem ziet het goedkeurend aan. Zijn tegenstanders links en rechts van hem kijken zorgelijk op hun eigen kaarten. Naarmate ik het spel volg, doet het mij denken aan Jokeren.
Het strijdtafereel wordt bekeken door een forse vijftiger in een camouflageshirt en met een dikke grijze haardos en een vriendelijke gezicht. Aan een tafeltje in de andere hoek zit een dikke man voortdurend naar zijn mobieltje te staren en zo nu en dan te bellen. Op zijn tafeltje een fles Amstel, een mobieltje, een pakje sigaretten en een aansteker. De standaard uitrusting van een Griek die naar het café gaat.

Ik vraag de heren of het goed is dat ik een een kiekje van ze maak. Dat vinden ze goed. Als ik ze maar niet stoor, maken ze met gebaren duidelijk. Nee hoor, laat mij kieken en je hebt geen kind aan me. Terwijl ik plaatjes maak, vraagt een van de kaarters waar ik vandaan kom. ‘Ollandía’, vertel ik hem. Ben ik even blij dat ik niet in Duitsland geboren ben. Anders had ik mijn afkomst moeten verloochenen.
‘Dijsselbloem, Dijsselbloem!’, roept het hele gezelschap in koor, om mij bij de les te houden. Ik hef mijn handen op in een verontschuldigend gebaar. ‘I do apologise for some of my fellow countrymen’, lach ik. Dat valt in goede aarde, merk ik.
‘He is only doing his job’, vergoelijkt de man in het camouflageshirt, terwijl de anderen weer driftig verder gaan met hun kaarten stuk smijten.
‘He does what aunty Angela tells him to do’, zeg ik. Zo denk ik er nu eenmaal over.
Het hele gezelschap barst in lachen uit. ‘Give this man another tsipouro on me!’, draagt het camouflageshirt de barkeeper op.
‘Why?’, vraag ik.
‘Because I respect you’, antwoordt hij. ‘You are a decent person’. Die moet ik onthouden!
Als ik me omdraai naar de bar, is mijn glas weer vol. Effe opletten nu, ik moet nog wel naar huis zien te komen. Dat is voor mij al moeilijk genoeg als ik mijn TomTom genaamd Mirjam niet naast me heb zitten.
Rambo verlaat zijn plek naast de kaarters en komt bij me aan de bar zitten. We schudden handen, stellen ons voor. Hij blijkt Arseni te heten, de barman heet Makis. De kaarters hebben geen tijd voor dergelijke plichtplegingen, kaarten stug door.
Arseni vertelt over zijn leven als broeder in een gekkenhuis, netjes Mental Institution geheten. Ondanks zijn drukke bestaan heeft hij zijn vlees toch vermeerderd, te weten twee studerende zoons en een dochter van zes. Ik vraag hem of hij de film One flew over the cuckoos nest kent. ‘Ah, Jack Nicholson!’, roept hij. Hij knikt goedkeurend.
Makis de barman is direct getriggerd. Voordat hij naar Corfu kwam, was hij filmdraaier bij een van de grootste bioscopen van Athene. Tot die in 2012 in vlammen op ging tijdens de gewelddadige opstand tegen de toenmalige regering. Toen vond Makis de tijd rijp om met vrouw en kinderen naar veiliger oorden te verkassen. Het werd Corfu, de geboorteplaats van zijn vrouw.
Ik voel me zo one of the boys dat ik aan Makis vraag of het gepast is om een rondje voor de zaak aan te bieden. Moet je in Nederland direct aan een tweede hypotheek, hier kan je dat rustig doen als je een tientje in je zak hebt. Oh, maar de heren kaarters hoeven niets, legt Makis uit. Zij kaarten hier de hele middag, drinken een enkel kopje koffie, veroorloven zich heel soms een biertje en gaan dan weer naar huis. Maar zover is het nog niet.
Ook Makis zelf bedankt vriendelijk, hij drinkt niet onder diensttijd. En Arseni? Heel aardig aangeboden, maar nee, toch maar niet. De dag is nog jong.
We praten over de Euro, de huidige situatie in Griekenland, Tsipras en zijn illustere voorgangers. En natuurlijk hebben we het over de rijkeluishobby genaamd de EU. Makis moet het allemaal nog zien of Griekenland uit de problemen komt. Arseni ziet de toekomst somber in. De corruptie en de hebzucht van de Griekse top doet ons allemaal de das om, waarschuwt hij.
Ik probeer hem te troosten met de gedachte dat er in alle landen van de wereld corruptie is en bied hem alsnog een borrel aan. Hij geeft zich gewonnen, accepteert mijn aanbod. Tja, het is onbeleefd om dan zelf niets te nemen. Even later kletsen onze glazen tegen elkaar aan en kunnen we ons gesprek weer hervatten.

Na een hartelijk afscheid, Arseni en ik slaan elkaar tijdens het huggen even op de rug, en mijn plechtige belofte binnenkort weer terug te komen, begeef ik mij weer in de hitte. Maar goed dat ik naast mijn tsipourootjes een liter water gedronken heb. Anders had ik waarschijnlijk uren moeten zoeken naar mijn auto.
Tien minuten later stuur ik kriskras door het binnenland van centraal Corfu. Road to nowhere (The Talking Heads) schalt op volle sterkte uit de wijd geopende ramen. Ik schreeuw ongegeneerd met David Byrne mee: We're on a road to nowhere, come on inside.
Ik doorkruis nooit vermoede plaatsen als Estavromenos, Kalafationas, Varipatades, Kothoniki en andere mij onbekende delen van Corfu, nu en dan gadegeslagen door wantrouwende boeren en hun gades. Zelfs rijd ik op den duur langs een aantal paardenstallen waarvan de bewoners mij met hun lieve ogen verbaasd aanstaren. Ik knik vriendelijk terug en denk: Wat heb ik toch een prachtleven.
Een half uur later heb ik nog steeds geen flauw idee of ik op weg ben naar de supermarkt of dat ik mij er verder van verwijder. Maar hé, de muziek is goed, de wind waait door de open raampjes en ik ontdek nieuwe werelden. Soms is het helemaal niet erg om een onderontwikkeld richtinggevoel te hebben.
Klik hier voor de foto's

Gelukzoeker (2)

Mijn SD-stick staat weer vol met mooie plaatjes van Corfu en dus zak ik weer af naar de lagere regio’s. Ik moet nog melk halen!, schiet mij opeens te binnen. Omdat Pelekas van zichzelf ook een prachtig plaatje is, besluit ik om het nuttige met het aangename te verenigen. In plaats van rechtdoor, sla ik rechtsaf, richting het enkele kilometers verderop liggende Sinarades. Nog zo’n pareltje in het binnenland van centraal Corfu.
Nu nog even een goed standpunt zien te vinden vanwaar ik dit prachtig gelaagde bergdorpje kan vastleggen voor het nageslacht. Vandaar vind ik vast wel een binnendoor weggetje om langs de supermarkt te rijden.
Ter hoogte van Sinarades vind ik een prima plekje met vrij uitzicht. Even later heb ik ook Pelekas tot mijn tevredenheid vastgelegd. Diellas, here I come!
Mijn gebrekkig ontwikkelde richtinggevoel zegt mij dat ik links moet afslaan en ik steek iets wat voor een brug moet doorgaan over. Geel-zwart geblokte relingen moeten voorkomen dat het verkeer massaal in de rivier belandt. Na wat slingerwegen door het prachtige binnenland van centraal Corfu, rijd ik plotseling Kouramades binnen. Laat ik daar nou nog nooit geweest zijn! Het is schilderachtig. Bij het naderen van een driesprong met in het midden een fel gekleurde kerk, remt mijn auto vanzelf, daar hoef ik niets voor te doen. Hij parkeert op een schaduwrijk plekje, schakelt zichzelf uit en fluistert: ‘Ga maar, nu kan het nog. Misschien is het morgen te laat’.
Tja, dan moet het maar. En ik stort mij in de stille straatjes en bochtige krochten van Kouramades.

Wat is dat toch altijd genieten, gewapend met een camera wandelend door zo’n vergeelde afdruk in tijd. De rust die over je komt als je een paar van de dorpsoudsten gemoedelijk ziet zitten op een houten krukje, een afgezaagde boomtronk en een gammel plastic kuipstoeltje. Ze zwoegen niet, ze vergaren niet, ze bouwen niet, ze breken niet af. Eeltige handen houden een flesje water of Fanta vast, verder niets. Alleen hun lippen bewegen, en soms hun handen, om hun argumenten kracht bij te zetten.
Het op dit moment verlaten dorpsplein, waarvan je weet dat het er vaak een drukte van belang is. Waar tijdens de panigiri (dorpsfeest) en andere feesten wordt gedronken, gegeten, gezongen en gelachen. En gedanst natuurlijk; de Syrtaki en andere Griekse dansen, in klederdracht of het gewone kloffie. Maar nu even niet, niet om vier uur in de middag.
Snoeioude huisjes met zwaar verschoten luiken en afgebladderde verflagen leunen zwaar vermoeid tegen elkaar aan. Hoeveel generaties huisvaders hebben in het piepkleine keukentje van moeder de vrouw te horen gekregen dat de buitenboel nodig weer eens geschilderd moet worden. En hop, daar kwam er weer een laag bij.
Kijk, daar zit een setje voor zo’n huisje in de schaduw. Samen zijn ze goed voor ruim anderhalve eeuw, schat ik. Wat ze doen? Gewoon zitten genieten, meer niet. Van de rust, de geur van de zomer, de fluitende vogels en soms een kind wat voorbij fietst.
Daar hebben we de onvermijdelijke plaatselijke supermarkt ter groote van een schoenendoos. Zoals gebruikelijk staat daar de hele santenkraam buiten in de brandende zon te blakeren. ’s Ochtends is een groot deel van het assortiment naar buiten gesleept, uitgestald en opgestapeld. En als de avond eenmaal gevallen is en de nacht zijn intrede doet, wordt het weer allemaal opgepakt en naar binnen gesjouwd. Heerlijk, ik kan er uren doorbrengen.

Van al dat gewandel op het warme gedeelte van de dag, krijg ik best wel dorst. Mijn tong is zo ruw als een lap soldatenleer en ik krijg visioenen van een fles heerlijk koel water. Dat kan op dit uur van de dag een probleem worden. Zoals in de meeste niet-toeristische plaatsjes op Corfu, is ook hier iedereen van de straat, al dan niet in diepe rust. Het is tussen drie en vijf uur in de middag zelden of nooit lonend om je bar of winkel open te houden.
Wandelend door de smalle hoofdstraat die dwars door het dorp heen loopt, speur ik om me heen, zoekend naar verkoeling en beschutting tegen de zon. Ik ben moederziel alleen, ben al een kwartier lang geen sterveling tegen gekomen. Ja toch, een luie hond die mij loom aan keek met een blik alsof hij wilde zeggen: Wat doe je hier op dit tijdstip?
Waar ik ook kijk, de luiken zijn gesloten. Dan komt een auto mij tegemoet, met achter het stuur een Griekse jongedame met een weelderige bos haar. Niet iedereen slaapt hier dus op dit uur van de dag. Dat zou eigenlijk wel moeten. In de smalle straatjes hangt de hitte als een deken om mij heen. Een normaal mens ligt op dat uur in een koele kamer met de luiken gesloten, energie op te doen voor de rest van de dag.
Het ziet er naar uit dat ik in Kouramades mijn dorst niet zal lessen, daar heb ik me bij neergelegd. Ik sla een hoek om en hoor in de verte geroezemoes, zo nu en dan afgewisseld met een schreeuw. Dat moet wel een kafeneion zijn! Ondanks de zinderende hitte versnel ik zowaar mijn pas.
Lees hier het vervolg
Klik hier voor de foto's

Gelukzoeker (1)

Terwijl wij rond het middaguur op de achterveranda onze koffie dronken, viel er plotseling– zeer opmerkelijk – een pittige bui. Al snel maakte de regen, dankzij een zwoel briesje, weer plaats voor een heerlijk zonnetje. Hierdoor hadden wij te maken met bijzonder helder weer. Oorzaak en gevolg naar verluidt, maar wel opmerkelijk.
Wanneer het heel helder weer is,begint het bij mij al snel te jeuken. Ik werp eens een blik op de Pantokrator, die ondanks een afstand van hemelsbreed 30 kilometer toch heel duidelijk te onderscheiden is, met een veelheid aan felle kleuren daaromheen. Ik giet koffie in mijn kop, kijk nog eens en onderscheid nog meer detail. Ik bedoel, 30 kilometer en ik kan de vliegen op de antennes op de Pantokrator zien zitten.
‘Ik ga foto’s maken’, zeg ik tegen Mirjam.
‘Oh?’, zegt ze, niet echt verbaasd.
‘Ja, het is zo kraakhelder, ik krijg eeuwig spijt als ik de gelegenheid niet te baat neem’, roep ik terwijl ik mijn cameratas controleer op een extra accu, lenzen en filters.
‘Dan kan je op de terugweg gelijk even biologische melk halen bij Diellas’, roept ze.
Ik twijfel ondertussen welke lens ik extra mee zal nemen; de tele- of de groothoeklens. Ik prop de telelens in het zijvak en stap het zonlicht in.
‘Niet vergeten melk te halen!’, hoor ik nog net als ik naar de auto loop.

Ik ga naar Pelekas, een van de omliggende, hoger gelegen dorpjes van centraal Corfu. Om preciezer te zijn, ik ga naar het hoogste punt van Pelekas: Kaisers Throne. Op die hoogverheven plek liet de Duitse keizer Wilhelm II een uitkijkpost bouwen. Regelmatig liet hij daar zijn tranen de vrije loop, zo mooi vond hij het uitzicht vanuit de hoogte.
Ik stel me zo voor dat Wilhelm, na weer een drukke dag van regeren, daar op de top van de berg zit bij te komen. Je krijgt als keizer een berg gekonkel en gekronkel over je heen natuurlijk. Dus aan het eind van de werkdag beklimt hij de treden van zijn Kaisers Throne en zet zich zuchtend neer, laat de dag aan zich voorbij gaan. Wijntje erbij, borrelnootjes, in afwachting van zijn gade.
Tranen vullen al snel de groeven op zijn gezicht, zo mooi vindt hij het. Dan komt Hermine, zijn beminnelijke echtgenote om te kijken of het wel goed gaat met haar Wilhelm. Hij werkt zo hard de laatste tijd. Wanneer ze zijn betraande ogen ziet, vraagt ze verbaasd: ‘Huil je?’
Ja, knikt hij alleen maar.
‘Ben je ziek, heb je verdriet?’, vraagt ze bezorgd. Hij schudt zijn hoofd.
‘Ik ben zo gelukkig’, fluistert hij zachtjes.
‘Maar waarom huil je dan?’, wil ze graag weten.
‘Omdat dit is het mooiste uitzichtpunt van de wereld is!’, zegt hij met een van tranen doortrokken stem. Hij haalt een mouw langs zijn ogen en slikt een paar tranen in. Zij kijkt hem aan met een mengeling van ongeloof en verbazing. Normaal is hij niet zo sentimenteel.
‘Nou ja, blijf niet te lang zitten hè? Straks vat je nog kou’, roept ze, terwijl ze zich omdraait en wegloopt.
Hij kijkt haar teder na. Goeie vrouw, al heeft ze van romantiek geen kaas gegeten. Het liefst had hij gezien dat ze naast hem plaats nam, zodat ze tegen elkaar aan geleund samen hadden kunnen genieten van het uitzicht. Je weet maar nooit wat er van komt. Nou ja, je kan niet alles hebben.
Dan richt hij zijn blik weer op het prachtig groen glooiende tafereel beneden, met daar omheen de grijsgroene bergketen en de strakblauwe Ionische Zee. En begint weer zachtjes te huilen.
Niet vreemd hoor, je kijkt inderdaad een allemachtig eind weg vanaf de Kaisers Throne en het is allemaal schitterend in harmonie met elkaar. Als je dan denkt aan het geploeter en de haat en nijd tussen de mensen in het algemeen en politici in het bijzonder dan stel ik me zo voor dat het je wel eens te moede kan worden.

Van links naar rechts: De hele Ropa Vallei wordt voor je ontrold. Daarachter de rijk begroeide bergen die centraal Corfu scheiden van het noordelijk gedeelte van het eiland, met middendoor de Troumpeta pas. Terwijl je blik langzaam naar rechts glijdt, tekent de oostelijke kustlijn van Corfu zich af met kustplaatsen Dassia, Ipsos, Barbati en zelfs Nissaki. Langzaam, niet te snel!, naar rechts, tot je Corfu Stad ziet liggen, met daarachter die bak met donkerblauw water, waarachter weer het vasteland van Griekenland en Albanië. En je blik gaat ongemerkt verder naar rechts, tot je uiteindelijk bij Varipatades uitkomt. Prachtig op een heuvelwand gedrapeerd, met als blikvanger de markante kerkspits. Nog iets verder zuidelijk, bovenop de op een na hoogste berg van Corfu, steekt de Grote Golfbal van Agii Deka scherp af tegen de blauwe hemel.
Helemaal niet gek dus dat ik daar een paar plaatjes wil schieten. En dat doe ik dan ook. Met droge ogen, dat dan weer wel.
Lees hier het vervolg
Klik hier voor de foto's

zondag 2 augustus 2015

Moonswimming



‘Zullen we vanavond nog eens naar het strand gaan voor een moonlightswim?’, vraagt Mirjam.
Soms heeft ze zo maar out of the blue van die briljante ingevingen, die meid.
‘Ja, dat is goed’, zeg ik, en drink in een teug mijn zoveelste glas ijskoud water leeg. Gosh, wat is het warm! Corfu zucht al een paar weken onder een heuse hittegolf en het einde is nog niet in zicht, als we de weerprofeten mogen geloven.
De airco snort zachtjes, waardoor de temperatuur binnenshuis zonder meer comfortabel is. Maar zet je een stap naar buiten dan valt er gelijk een bloedhete deken over je heen. Open je de deuren van je auto dan weet je helemaal niet wat je overkomt. Of ja, toch. Zo voelt het ook als je de ovendeur opent om die gegrilde kip of versgebakken appeltaart eruit te halen. In stilte vraag ik me af of we niet beter thuis kunnen blijven, binnen de veilige koelte van onze vier muren.

Het valt mee in de auto. Dat komt omdat ik pas enige uren na zonsondergang de sleutel in de deur stak. Het leek Mirjam namelijk romantisch om rond middernacht in het zilte water van de Ionische Zee af te dalen. Of de romantiek daardoor verhoogd wordt, weet ik niet. Feit is dat we, een uur voordat de nieuwe dag een aanvang zal nemen, over de donkere slingerwegen van Corfu richting de kust rijden. Het is nog altijd een graad of 28, dus de raampjes staan wagenwijd open.
Nadat we de bergkam bedwongen hebben en aan de afdaling naar zeeniveau beginnen, zien we die grote bak met water waarin de maan in volle glorie – het is Blauwe Maan – haar stralen overvloedig strooit. We krijgen een onbedwingbare zin om te gaan zwemmen. Ook Foxy, die vanwege het late tijdstip mee mag, merkt dat het eind van de rit in zicht is.
We hebben alle ruimte om te parkeren en spoeden ons achter Foxy aan langs het terras van een inmiddels gesloten strandtent naar de zee. Het zand, waar je een paar uur eerder nog niet met blote voeten op kon lopen, voelt lekker koel aan tussen onze tenen. Aan strandbedden geen gebrek.
Terwijl wij ons van zoveel mogelijk textiel ontdoen, oppert Mirjam het idee om maar helemaal niets aan te houden. Ik kijk om me heen en zie verderop een strandtent waar nog licht brandt. Al moet ik toegeven dat het wel iets heeft, zonder pennendekker zwemmen. Ik twijfel. Als om mijn twijfel weg te nemen, gaat het licht bij de strandtent uit.
‘Maar wat nou als de strandstoelenmeneer zijn  geld komt innen?’, hou ik de boot nog af.
‘Ja hoor, om twaalf uur ’s nachts’, antwoordt Mirjam en lacht mij ondeugend toe.
Ik steek mijn vingers achter het elastiek van mijn zwembroek. Net willen mijn armen een neerwaartse beweging maken als we iets verderop mensen horen praten. Toch maar niet dus.

Het is inmiddels middernacht geweest. Die goudgele bol daar hoog aan de hemel is prachtig en doet vreselijk zijn best om de boel te verlichten. De zee is als een spiegel zo vlak en ik drijf comfortabel op mijn rug op het zoute nat van de Ionische Zee, oortjes onderwater. Ik luister naar het ruisen van mijn bloedsomloop, wat heel ontspannend is. Boven mij steekt een driehoek van flonkerende sterren fel af tegen de inktzwarte achtergrond, te midden van duizenden kleinere sterren.
Dan voel ik een haal van een hondenpoot langs mijn been en zie de blije kop van Foxy naast de mijne verschijnen. Waterrat. Onuitputtelijk pendelt ze tussen Mirjam en mij heen en weer. Ik geef haar een aai over de bol, waarna ze weer koers zet naar mijn zwemmaatje. Dit is geluk mensen.

Op de terugweg naar huis zingen we gezamenlijk een iets aangepaste versie van Van Morrison’s prachtige liedje Moondance:
Well, it's a marvelous night for a moonswim
With the stars up above in your eyes
A fantabulous night to make romance
'Neath the cover of August skies
And all the night's magic seems to whisper and hush
And all the soft moonlight seems to shine in your blush
Can I just have one more moonswim with you, my love
Can I just make some more romance with you, my love
Well, I want to make love to you tonight
I can't wait 'til the morning has come
And I know that the time is just right
And straight into my arms you will run

Eenmaal thuis aangekomen gaat wel alle kledij uit.